Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland






De polder van Doel werd in 1567 gewonnen op de Schelde. Eind 16de eeuw werd er een voorlopige kerk of bidplaats opgericht.
Het is opmerkelijk dat de opeenvolgende dienstdoen­de priesters slechts gedurende heel een korte periode te Doel verbleven, aangezien hun grote aantal: 18 priesters van eind 1500 tot 1614.
Onder leiding van de eerste pastoor van de nieuwe parochie, Eerw. Heer Robertus Haeuw, werd in 1672 begonnen met de bouw van een nieuwe kerk. Dit project werd gefinancierd met ingezameld geld van de roomskatholieke landbouwers en van de bewoners van het dorp Doel.
De pastorij werd terzeifdertijd gebouwd, maar dan met het eigen geld van pastoor Haeuw.
Deze gaf later in zijn testament de pastorij aan de kerk van Doel. Hiervoor vroeg hij dat men jaarlijks een mis zou opdragen "tot rust zijner ziel en die zijner familieleden".
In 1739 werd dank zij Eerw. Heer Charles Francois, de paus en de martelaar Cornelius in de kerk van Doel vereerd.
In 1740 werden de regelen of statuten door bisschop De Smet goedgekeurd.
In 1775 werd onder leiding van Eerw. Heer De Sloor de kerk merkelijk verfraaid en vergroot. In 1913 werd opgetekend dat er elke eerste zondag van de maand en op hoogdagen na, de diensten de relikwieën plechtig werden gezegend en vereerd. Men kon ook dagelijks mits aanvraag worden gezegend.
In 1852 werd onder Eerw. Heer Ludovicus De Meulenaer de kerk van Doel volledig her­bouwd. En in 1856 werd de kerk opnieuw toegewijd aan O.L.V. Hemelvaart en aan de H. Cornelius.
In de kerk van Doel heeft men twee grafzuilen of monumenten geplaatst: een ter nagedach­tenis van Eerw. Heer pastoor Moortgat die in 1849 is gestorven als gevolg van het met volle toewijding verzorgen van Duitse choleralijders en het hun toedienen van de H. Sacramenten.
Het andere monument is ter herinnering van "den Eerzamen Seminarist den Heer Petrus Camerman".
Op de plaats waar in Doel voordien reeds een kapel stond, werd in 1862 een nieuwe kapel gebouwd. Deze kapel heeft dienst gedaan als statie voor jaarlijkse grote processies. Deze kapel, gelegen in het park tegen de Schel-dedijk, werd toegewijd aan O.L.V. Onbevlekt Ontvangen en werd in eigendom van de Kerk gesteld.



KERK. liet tijdstip van de oprichting der bidplaats te Doel is niet gekend; dit moet echter omtrent het einde der XV° eeuw geweest zijn, dewijl Jan de Schepper in 1614, de achttiende desservitor was der kapel. Bij zijne aanstelling werd er eene overeenkomst gesloten tussehen den bisschop van Gent en de goede ingezetenen der polders van St°-Anna-Ketenisse en Doel, met betrekking tot de betaling van 800 gulden, ten voordecle van den bedienaar der kapeLl'oen waren er te Doel vele protestanten en had de herder veel last te onderstaan van den bevelhebber der sterkte te Lino, bezet door Hollanders, die door allerlei plagerijen en woelingen den goddelijken dienst hier trachtten te hinderen. De pastoor beklaagde zich ten jare 1615 deswege aan den bisschop, en daarna aan de regeering. De aartshertog Albert schreef den Staten-generaal van Holland eenen brief, waarin hij den beklaaglijken toestand deed kennen en aandrong om dien te doen eindigen.
Tot het jaar 4670 behoorde het desservitorschap dezer parochie aan den pastoor van Kalloo, en na dit tijdstip aan dien van Kiel-drecht.
In 1780, 4782 en 1784 verzochten de wethouders der plaats aan de regeering om Doel, onder burgerlijk en gods­dienstig opzicht, onafhankelijk te maken Van Kicldrecht, voorgevende dat het gedurende den winter onmogelijk was om van den Doel naar de kerk van Kieldrecht te gaan en dat er toen op den Doel ruim 1,300 zielen woonden, waaronder 900 communicanten. Het verzoekschrift werd gezonden aan den bisschop Lobkowitz, die, benevens de abten van St.-Pieters en Boudeloo en den pastoor van Kieldreeht, als tiendeheffers, in1792 hunne toestemming saven, ingevolge de bepalingen der onderstaande akte ;
Akte 1792
Uit deze akte blijkt genoegzaam, dat de groote grondbezitters in den polder tot de oprichting der parochie krachtig hebben bijge­dragen. Ter eere des polderbeheers van alsdan zij gezegd, dat het tegenwoordige nog ieder jaar eene som van meer dan 700 francs aan de kerk van Doel verstrekken moet.
De oorspronkelijke bidplaats van den Doel werd ten jare 1672 door een nieuw gebouw vervangen, hetwelk eerst in 1677 geheel voltrokken en dan voorzien werd met een klokje, geleverd door Michiel de IIaze. De bouwmeester der bidplaats (een nederig gebouw, waaraan weinig hardsteen was te zien en gedekt met pannen) was Geeraard Franssen.
De kosten werden gedragen door eenige begoede ingezetenen van den nieuwen Doel (nu het dorp) en andere uit den Luis-polder, liggende achter den ouden Doel. Kerk en altaar werden gewijd den 3 Juli 1672, op welken dag ook 't kerkhof gezegend
en de reliquieën der   Justus en Theodorus; martelaren, in 't altaar geplaatst werden.                                            . -
In 1772, dus honderd jaren na de oprichting dezer kapel, werd zij vergroot door den desservitor Sloor, die daarvoor de gebroeders Jacob, Frans en Marten Schoonvliet, van Bevaren, te werk stelde. Het vernieuwde gebouw werd, zooals de pas mede­gedeelde akte inhoudt, den 42 Juli 1775 door den Gentschen bisschop Geeraard van Eersel gewijd.
(1) Kerkarchief. — Register Nr 111, (R.1), bl. 17. der archieven van 't Land van Waas. — Staatsdepot te Gent

Dit schrijven De Potter en Broeckaert in 1877:
De tegenwoordige kerk dagteekent van 1852, en biedt, als godsdienstig gebouw, geen belang aan. De ontwerper is ROELANDT, van Gent. Te zijnen tijde was de godsdienstige bouwkunst in Vlaanderen in verval; 't is eerst sedert weinige jaren, dank vooral aan de St.-Lucasschool, te Gent, dat de goede oude overleveringen der middeleenwsche bouwkunst voor de bede­huizen, evenals voor de burgerlijke gedenkbouwer — heden nog niet in schoonheid overtroffen — weder in eere gebracht zijn.
De kerk van Doel is evenwel groot en mist al binnen geene statigheid, gevolg van de stoutheid van haren bouw. Er zijn drie beuken, van welke de middelste bijzonder breed is.
De kerk staat onder de, aanroeping van 0. L. Vrouw-Hemel­vaart, en heeft den heiligen Cornelius tot tweeden patroon. Zij heeft drie altaren. 't Hoogaltaar, toegewijd aan de patrones, heeft eene schoone schilderij door NICOLAAS de LIEMAECKERE, bijgenaamd ROOSE, voorstellende de H. Drievuldigheid, en te zamen met het altaar herkomstig uit de kerk van 't voormalige Wilhelmietenklooster te Beveren. Eene groep engelen in het tafereel, namelijk onder de H. Drievuldigheid, is recht bewonderenswaardig : die lieve hemelsche figuren schijnen waarlijk op het doek te leven !       
  Nevens 't altaar, onlangs ongemeen schoon gemarmerd door DYVEWAERDT, van Antwerpen, prijken de beelden der heiligen Petrus en Paulus.
Het rechter zijaltaar, ter eere van Onze Lieve Vrouw, heeft een groot geschilderd houten beeld der Moeder Gods, door DE PRETER.
 Daarnevens bemerkt men de beelden der II Barbara en van de H. Anna. Dit laatste is zeer fraai.
Het linker zijaltaar, toegewijd aan St. Cornelius, is ook met het beeld diens heiligen versierd. Nevens het altaar staan de beelden van St. Jozef met het kind Jezus, en St. Rochus, door VAN HAVERMAET, van St.-Nicolaas.
Aan den ingang des koors prijken sedert 1874 twee houten geschilderde beelden, voorstellende de H.H.Harten, van Jezus en van Maria, beide door COCKEROL, insgelijks van Antwerpen.
De muren der kerk zijn bekleed met een eikenhouten beschot der XVIII° eeuw.
De twee biechtstoelen werden in 1774 gemaakt en door den pastoor en den onderpastoor van dit tijdstip bekostigd. De fraaie communiebank dagteekent van 1867. Zij werd gesneden door CEUSTERS en kostte 4,500 francs. De stoel der waarheid, waaronder een beeld staat van
St. Cornelius, komt uit het pasgemelde Willielmietenklooster van Beveren, en de kruisweg is een gewrocht van DE LOOSE, te St.-Nicolaas.
Vóór het Allerheiligste hangt eene koperen lamp, waarop men leest :
DEEZEN DIENT TOT GEDACIITENISSE VAN DE DYKWERKERS VAN DEN DOEL. 24 APRIL 1791.

Dus eene gift van nederige arbeiders.
Duiden wij hier, pro memoria, eenige kunststukken aan, welke voor de oude kerk van den Doel werden aangekocht : men zal er uitzien, dat men hier in den polder evengoed als elders ijverde voor de verheerlijking van Gods huis en den luister van den kerkdienst.
In 1690 leverde WILLEM KERRICKX, van Antwerpen,voor de som van 350 gulden een altaar, dat MATIIIAS VAN NECKE voor 63 gulden met kleuren belegde. In dit altaar plaatste men een tafereel van GOUBEAU, waarvoor de pastoor 66 gulden betaalde. Het jaar nadien leverde N. BOUVAEIITS, schrijnwerker te Ant­werpen, eene communiebank voor de som van 247 gl. 5 stuivers.
IGNAAS LYSSENS, beeldhouwer te Antwerpen, sneed in 1697 de beelden van St. Jozef en van de H. Anna, en kreeg daarvoor de som van 50 gulden; zij werden geschilderd en verguld door J.-B. NECKERS, van genoemde stad, die voor dit werk de som van 32 gulden in rekening bracht. Ter zijde in 't 0.L.-Vrouwaltaar staat een gedenksteen tegen den muur, waarop men" eest :

D. 0. M. ET PIE MEM` J. J. MOORTGAT, NATI
IN LERBEKE, AN. Dni
MDCCCI PER III FERE
LUSTRA DOULAE PASTORIS VIGILANTISSIMI, TEMPLI
DEI EXORNATORIS ZELOSISSIMI SCHOL/EQ. DOM.
EDIFICATORIS, DIRO ClIOLERA-MOR130 XXX JUNII

MDCCCXLVIIII, EVIVIS SUBLATI, MONUMENTUM
HOC IN FERENNEM GRATITUDINIS TESSERAM MOESTE

LOVES POSUERE.
R. I. P. Nevens het altaar van St. Cornelius prijkt een marmeren gedenkteeken, versierd met het liggende witmarmeren beeld van eenen stervenden krijgsman, het boek der statuten van het seminarie en eenen paternoster op de borst drukkende.
Dit fraai monument, in 4870 opgericht door jufvrouw Maria-Izabella Camerman ter nagedachtenis van haren heldhaftigen broeder, slachtoffer van vreemde willekeur en van gewetens­dwang, is gebeeldhouwd door de gebroeders N. A. en F.GOEMkNS te Antwerpen.
In het bovendeel staat, tusschen de armen van een kruis, te lezen : MOED, VOLHARDING, STERKTE, STANDVASTIGHEID.
Daaronder leest men, :
GEDACHTENIS VAN DEN HEER PETRUS Js ANTI"
CAMERMAN, ZOON VAN DEN HEER ENGELBERTs EN VAN
JUFFR. JOANNA BARBARA VAN OVERLOOP, GEBOREN TE DOEL
DEN
6 MEI 1792, SEMINARIST TE GENT,
OM ZIJNE TROUW AAN DE KERK VERVOERD EN
INGELIJFD BIJ HET LEGER TE WEZEL, IN NOVEMBER
1813; LIJDT ALLE VERVOLGINGEN EN ONTBERINGEN
TER VERDEDIGING DER KERKELIJKE TUCHT. STERFT

ALDAAR DEN 10 Xber 1813..    

Men treft nog verscheidene grafzerken aan in den kerkmuur; andere liggen op het kerkhof, en zullen welhaast rondom den Kalvariëberg geplaatst worden. Dit ware een schoon, recht­vaardig, zelfs nuttig werk ; immers de gedenksteenen voor over­ledenen spreken, als uit hunnen eigenen mond, tot het gemoed des nageslachts ; zij wijzen op de vergankelijkheid des menschen, nochtans zoo trotsch en zoo dikwijls den Schepper vergetende, en
meteenen op de beloofde opstanding uit het graf en de onsterfelijkheid der ziel : de verhevene opwekking voor den vrome in de vele ellenden dezer wereld.
Herinneren wij hier, dat in de oude kerk van Doellet vergankelijk overschot was bijgezet van Pieter Melis, heer van Saaftingea, gestorven in September 1678. Het denkmaal stond nog ten jare 1825 in de voorkerk.
oorden mede te deelen over de broederschap van St.-Cornelius, omtrent 1739 in de kerk van Doel ingericht volgens breve van den paus Clemens XII deszelf-den jaars, en den 6 Juli 1744 door den Gentschen bisschop De Smet bekrachtigd onder den titel van het Allerheiligste Sacra­ment.
De solemneele verheffing van de reliquieën des heiligen Cornelius had plaats den eersten zondag van September 1740. Gemelde broederschap werd door onderscheidene geestelijke voordeden begunstigd, onder andere door den evengenoemden paus. 'rot aanroeping van dien heilige is er te Doel een onge­meen groote toeloop. — Bene broederschap voor den eeredienst van het H. Hart van Jezus kwam tot stand in den jare 1868.
Voortijds was de parochie Doel onder de dekenij van Hulst, welke ook tot het bisdom van Gent behoorde. Benen onder­pastoor vinden wij hier reeds ten jare 1686. Omtrent dien tijd genoot de desservitor 'jaarlijks uit de kerkelijke inkomsten cene som van 550 gulden, boven 30 gulden voor huispacht. De onderpastoor trok toen .120 gulden 's jaars.
Nog een woord over de pastorij : dit gebouw is eene gift van den pastoor Haeuw en werd gansch vernieuwd door den pastoor Geldolf, eenige jaren vóor de omwenteling van 1789.

Desservitors van Doel.

Jan de Schepper.................................................  1614
Willem Middelsols ................................................. 1616
Hendrik van Godtshoven ......................................  1618
Cornelis Herzen of van Hertzen ...............................1619
Follian de Glin ....................................................  1625
Hendrik Ilesius of Heers......................................... 1655
Cornelis Gilbau..................................................... 1659
Christiaan van Meinsel.......................................... .1671
Robert Hacuw ......................................................1372
Bernaard van der Gucht..........................................1694
Godfried Cogen.....................................................1702
F. Laenen............................................................1704
Karel François.......................................................1724
L. Ongena............................................................1761
P. Sloor...............................................................1764
Jan Gejdolf...........................................................1779
d'Heulebroeck.......................................................1804
M.Ambroos...........................................................1808
J.-B. van Achter...................................................1814
D.-A. De Grave.....................................................1816
C. de Backer........................................................1822
Jan-Jacob Moortgat..............................................1835























In voorbereiding