Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland

 

 
       


Geschiedenis van de suikerfabriek van Kallo

Meer dan 100 jaar geleden richtte Charles Boëye, grootgrondbezitter in Kallo, een suikerfabriek op in het hart van het Waasland, midden in de wijde polders van Kallo.
In samenwerking met enkele vrienden werd op 25 november 1868 in Beveren-Waas de acte betekend; de verenigde vennoot-pachters waren:
- Boëye Charles, burgemeester en grondeigenaar te Kallo
- Boëye Hyacinthe, advocaat en grondeigenaar te Sint-Niklaas
- Boulangier Paul, handelaar te Quiévrain
- Brabant Frères, suikerfabrikanten te Onnaing-lez-Valenciennes (Frankrijk).
De nieuwe onderneming heette “Boëye, Brabant Frères en Cie, Suikerfabrikanten te Calloo”.
Nauwelijks twee jaar later, blijkt uit een akte van 20 juni 1870, dat de gebroeders Brabant zich in 18969 terugtrokken uit de zaak en de maatschappij.
De andere eigenaars, Charles en Hyacinthe Boëye en Paul Boulangier, besluiten om de samenwerking voort te zetten en op 27 september 1872 stichtten ze een nieuwe vennootschap, de Collectieve Vennootschap Charles Boëye et Cie.
Hoe verliep de nieuwe fabriek ondertussen?
De eerste campagne 1869-1870 werd met winst afgesloten, 1870-1871 met verlies.  Maar tot en met 1874-1875 werden belangrijke winsten geboekt.
Met de  campagne 1875-1876 eindigt de bloeiende periode.  De vennoot Boulangier koopt de volledige suikerproductie en wordt failliet verklaard, nog voor de betaling van de suiker werd ontvangen.  Bovendien gaat een groot gedeelte verloren van de kristalbrij en 1876 wordt een desastreus jaar in de nog prille geschiedenis van de suikerfabriek.


Als gevolg van deze tegenslagen wordt de vennootschap op 13 maart 1876 ontbonden in Quiévrain en op 31 juli van hetzelfde jaar wordt de fabriek openbaar verkocht in hotel “Sint-Barbara” in Beveren-Waas.
De fabriek wordt voor 41 000 frank toegewezen aan Hyacinthe Boëye, die tegelijk ook haar neef Charles tot vennoot maakt.
Enkele maanden later wordt Charles Boëye de enige eigenaar via een minnelijke schikking.
Als burgemeester en lokale grootgrondbezitter heeft hij veel invloed bij de boeren en onder zijn impuls zal de fabriek meerdere succesvolle jaren kennen.
In 1889 beslist hij dat een naamloze vennootschap voordeliger zal zijn en op 18 mei wordt voor notaris Lesseliers te Beveren –Waas La Société Anonyme Sucrerie Calloo geïnstalleerd met een kapitaal van 120 aandelen van 5 000 frank.  Charles Boëye doet met 40 delen zijn inbreng in gebouwen, materieel, karren en werktuigen.  De resterende titels worden op naam geschreven van 12 nieuwe aandeelhouders.
De lokale bevolking, afhankelijk van de activiteiten rond en in de fabriek, ziet met lede ogen aan dat mijnheer Boëye ‘vreemdelingen’ tewerk stelt in ‘hun’ fabriek.
Het is een feit dat hierdoor Charles Boëye, liberale lijsttrekker, bij de gemeenteraadsverkiezingen zijn titel van burgemeester verliest.
In 1902 moet deze invloedrijke figuur zich door zijn hoge leeftijd terugtrekken en wordt de fabriek verkocht voor 200 000 frank aan een groep belangrijke zakenlui uit Antwerpen, waaronder de h. Leopold Kronacker, directeur van de vereniging voor de suikerexport.
Op 12 maart 1902 wordt de S.A. Nouvelle Sucrerie de Calloo gesticht.  Het kapitaal wordt op 400.000 frank gebracht door uitgifte van 200 nieuwe aandelen van 1 000 frank.
De nieuwe vennootschap lijkt onder een gunstig gesternte geboren.  Hoewel de capaciteit van de fabriek slechts 250 tot 300 ton per dag bedraagt, realiseert men in 1903 een bietenomzet van 11 000 ton, een nettowinst van 31% kapitaal.
In de loop van 1921 wordt het kapitaal van de onderneming aangepast en op 1600000 frank gebracht.
Na de moeilijk dertigerjaren, waarin met verlies gewerkt werd, wordt Paul Kronacker lid van de administratieve raad en eist het voorzitterschap.
Met een onvermoeibare dynamiek loodst hij de onderneming door de moeilijkste omstandigheden.  De capaciteit wordt op 700 ton/dag gebracht en de bietenproductie verhoogd tot 80 000 ton.
In 1937 is het kapitaal gestegen tot 2 600 000 frank door een opwaardering om in 1950 te eindigen op 9 000 000 frank.
Tot slot werd de onderneming gesloten.  De dreiging van de onteigening van het oogstgebied van de fabriek en de hoge investeringskosten hebben bijgedragen tot de sluiting.
Een eeuwelinge is verdwenen, net op het moment van haar 100ste verjaardag.
Zij zal enkel nog in de geschiedenis bewaard blijven in de bijnaam van de bewoners: “De Bietkoppen


Het symbolisch laten ontploffen van de schouw was het einde, klaar voor andere tijden.
Een restant van de de kaaimuur is nog het enige overgebleven van de fabriek aan de "Melkader".


Zware arbeid voor het rooien en transport van de suikerbiet.