Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland





Situering en historisch overzicht:
De Grote Geule of Kieldrechtse Kreek maakt deel uit van het kreken-kompleks, dat zich uitstrekt over het.noorden van de provincie Oost-Vlaanderen (België) en het zuiden van Zeeland (Nederland).
De kreken zijn restanten van oude getijdegeulen, die werden uitgeschuurd door het zeewater bij opeenvolgende mariene transgressies.
Door indijking ontstonden de polders en werden deze wateren aan de getijdenwerking onttrokken.
Zowel natuurlijke dijkbreuken - de laatste dateert van 1846 - als mi­litaire operaties hebben het gebied geregeld overstroomd, zodat het krekenkompleks herhaaldelijk werd verjongd. Door de kracht van het binnenstromende water (tweede helft van de 17de eeuw) ontstonden daarbij soms wielen, zoals de Kleine en de Grote Weel vlakbij de kreek. Het dijkherstel is duidelijk te merken aan de twee grote dijkkragen.
Het ontstaan van de Grote Geule is dus onafscheidelijk verbonden met de geschiedenis van de eromheen liggende Scheldepolder, maar ook met die van het dorp Kieldrecht. De kreek wordt vermeld in de "Slyccoop van Haendorp" van 1431, die handelde over de schorren tussen Kiel-drecht, Kallo en Verrebroek:


"Beginnende aan de plaats van Kieldrecht, aan de zeedijk, die buiten de sluis van het moer en de havene van Kieldrecht ligt, en daar gaande langs de gezegde havene op de zuidelijke oever tot aan de wa­terloop van Kieldrecht die men in 't Vlaams de Adere van Kieldrecht noemt", ...
Toch moet er toen reeds enige eeuwen een kreek hebben bestaan, af te leiden uit het toponiem "Kieldrecht". Deze plaatsnaam bestaat uit twee Germaanse woorden, "kila" en "drifti", die vaker voorkomen i.v.m. benamingen van kreken. Het element "drecht" is een typisch Ingweoons woord, d.w.z. Kust-Germaans of Noordwest-Germaans, dat diende ter aan­duiding van kreken in rivierkleigebieden. De eerste vermelding van het toponiem dateert van 1238 en betreft de Kreek van Kieldrecht. Dit laat vermoeden dat de nederzetting reeds enige omvang moet hebben gehad. Verwonderen moet ons dat niet, omdat het dorp gelegen is op het uit­einde van een zandweg waarvan de bodem een harde fossiele kern bevat en dus niet, zoals het omringende gebied, bestendig werd bedreigd met overstroming.



In de 14de eeuw deden zich verscheidene vloeden voor, die het toen ingedijkte poldergebied opnieuw blank zetten, wat steeds werd gevolgd door jaren van moeizame herindijking.
Zo overstroomde op 23.11.1334 de St.-Clemensvloed de Polders van Kallo en Kieldrecht. In 1353 vaardigde Lodewijk van Male een dekreet uit tot indijking van 't Land van Kieldrecht en van Kallo. De bedijking in Kieldrecht werd beëindigd omstreeks 1366.
In 1377 werden de heringedijkte polders weerom overstroomd door de St.-Maartensvloed van 16 november.
Na de St.-Elisabethvloed van 19.11.1404 zouden de polders nog drij­vende blijven tot wanneer de Kieldrechtpolder ontstond, d.i. na het oktrooi van 1431 en de daaropvolgende herindijkingen, die tot 1478 duurden.
Het Beleg van Antwerpen van 1584 - 85 is de laatste aanloop tot het ontstaan van de huidige polders. Tijdens dit beleg werden ze immers om strategische redenen (tegen Farnèse) onder water gezet. In 1617 kreeg de Kieldrechtpolder een oktrooi tot herindijking, maar toen in 1621 het Twaalfjarig Bestand eindigde, begon de oorlog opnieuw, waar­door alle werken stilvielen.
Na de Vrede van Munster (1648) kon opnieuw met herindijking worden begonnen. De polder kreeg evenwel een nieuwe naam: wat werd ingedijkt op het territorium van de Zuidelijke Nederlanden werd Konings-Kiel-drechtpolder (Vredespolder) genoemd, ter onderscheiding van het gedeelte toebehorend aan de Staatsen.
Pas in 1653 kwam deze herindijking klaar en in 1654 werd de polder verkaveld. Aan het landschapsbeeld dat daarbij tot stand kwam, is ondertussen niet veel gewijzigd. De verkaveling van 1654 toont over de hele lengte van de polder (ZW-N0) rechtgetrokken straten, waarvan de richting wordt bepaald door de loop van de Geul, de dijk langs de nieuwe rijksgrens en de bestaande dijk van Turfbanken en Hoog-Verre-broekpolder. De Lange Kieldrechtstraat is nu Molenstraat geworden; ze duidt aan waar de eerste vestigingen ontstonden, t.w. de molen (verdwenen in 1910) en de afspanning "Het Hospitaal" (afgebroken).
Momenteel ontspringt de Grote Geule als een kleine sloot in Kemzeke, loopt over de Klinge en Meerdonk om langs het westen, sterk verbreed, Kieldrecht (nu deelgemeente van Beveren) binnen te komen. De opperv1vlakte in Kieldrecht bedraagt 21,5 ha. (waterplas + oevers).
De diepte varieert van doorwaadbaar tot maksimaal 1,5 m.
Tot de Tweede Wereldoorlog nam de Kreek een voorname plaats in voor het vervoer van bieten naar de suikerfabriek van Kallo.
Dank zij de aktie van milieugerichte groeperingen (Davidsfonds, ABLLO, Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon) nam de gemeenteraad van Kieldrecht in zitting van 25.6.1971 een eerste motie aan, waarin werd aangedrongen op initiatieven en voorstellen tot ongerept behoud van "De Kreek".
Overtuigd van de grote wetenschappelijke, estetische en edukatieve waarde van het landschap, droegen de eigenaars (de familie Bosselaar-Mathieu) op 29.8.1972 het beheer ervan voor 29 jaar over aan de Koninklijke Vereniging voor Natuur- en Stedeschoon tegen een symbolische pachtsom van 1 fr. per jaar.
Het reservaat werd samen met de aanpalende terreinen, over een oppervlakte van 80 ha., bij K.B. van 26.1.1978 geklasseerd als landschap.
Het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren (K.B. 7.11.1978) bestemt het gebied als natuurreservaat, omringd door een landschappelijk waardevolle agrarische zone. Door de genoemde besluiten is de Kreek nu zo goed beschermd als binnen onze huidige wetgeving mogelijk is.
Voor het behoud van de ecologische, landschappelijke, natuurwetenschappelijke, geomorfologische en kultuurhistorische waarde van het gebied is echter, zoals zal blijken uit deze brochure, meer nodig dan een gewestplan en een rangschikking.

Landschappelijke waarde:
De landschappelijke waarde van de Grote Geule vloeit voor een belangrijk deel voort uit de omstandigheid dat ze een relatief gaaf relikt van vroegere overstromingen is. Kaarten uit de 17de eeuw geven de Geul van Saaftinge weer met de Kreek van Kieldrecht als oostelijke vertakking.
Deze kreek liep vanaf de Geul van Saaftinge oostelijk langs het dorp Kieldrecht om dan naar het westen af te buigen met te­vens een verbinding naar het Perelgat van Kallo. Deze verbinding is verloren gegaan door de indijking van 1653.
Sedert het ontstaan van de Konings-Kieldrechtpolder (1654) is de Grote Geule kunnen uitgroeien tot een gevarieerd geheel van open watergedeelten, rietvelden, groepjes en rijen knotwilgen en kanadapopulieren en lage oevervegetaties. Deze verscheidenheid van biotopen is mede te danken aan kleinschalige menselijke ingrepen: ekstensieve begrazing van de oevers, rietmaaien in de verlandingszone, openhouden van het water door landbouw en bevissing en aanplant van knotwilgen voor houtvoorziening.
Doordat deze landschapsvormende aktiviteiten nu grotendeels hun economische betekenis hebben verloren, is instandhouding van de kreek enkel mogelijk wanneer ze opnieuw worden opgenomen in een beheersplan.
Visueel treft in de eerste plaats het langgerekte vrije wateroppervlak, dat een indruk van rust en stilte nalaat, wanneer men het bekijkt van op de dijk van Kieldrechtpolder. Bij schuin invallend zonlicht ontstaan kleurschakeringen door de afwisseling van rietvelden, partijen zeebies en vrije oevergedeelten. Vooral de rietvelden, die in dergelijke grote volumes steeds minder voorkomen, dragen picturaal en auditief bij tot een hoge landschappelijke waardering. De uitgestrektheid en de rust moeten ook als belangrijkste verklaring worden gezien voor het voorkomen van talrijke eendesoorten en gevleugelde moerasbewoners zoals wilde eend, wintertaling, slobeend, bergeend, grote en kleine karekiet, rietzanger, rietgors en roerdomp.
De knotwilgen en een formatie kanadapopulieren geven aan het landschap een vertikale dimensie. In vergelijking met de uitgebreide waterpartij hebben ze slechts een aflijnend karakter.
Indien de natuurlijke evolutie hier ongestoord verder ging, zou de kreek uiteindelijk een moerasbos worden door het dichtgroeien van het open water en het daaropvolgend terugdringen van het riet door wilgen en elzenopslag.
We menen echter dat, afgezien van de waarde van dergelijke broekbossen, de Grote Geule best haar identiteit als overblijfsel van mariene transgressies behoudt. Daarom moeten we ervoor zorgen dat de verlanding beperkt blijft tot enkele kleine gedeelten, temeer omdat praktisch alle oostelijk gelegen open kreken en wielen verloren zijn gegaan door de industrialisatie van de Linkerscheldeoever.


Geologie:
Het geologisch substraat bestaat uit mariene sedimenten, die voornamelijk gedurende het Oudkwartair, mogelijk reeds vanaf het Boven-Plioceen, werden afgezet.
Op sommige plaatsen in Kieldrecht komen op 1,25 m diepte fossiele bodems voor, die worden gekenmerkt door de aanwezigheid van bruinrode horizonten. Deze fossiele resten liggen meestal. aan de top van pliocene of oudkwartaire formaties.
Op 1,5 m tot 2 m diepte bevindt zich in het beschouwde gebied nagenoeg kontinu een laag bosveen van ca. 1 m dikte, ontstaan tengevolge van het rijzen van de zeespiegel tijdens het Atlanticum. Daardoor werd namelijk de waterafvoer in de laagste gebieden bemoeilijkt; er ontwikkelde zich een moerasbos, dat de grondslag was voor de veenvorming. Deze veenlaag bestaat aan de basis uit moerasveen, dat vlug in een zwart riet- en zeggeveen overgaat, waarin de samengedrukte rietstengels als vaalgrijze geaderde platen zijn bewaard. Daarop ligt over een dikte van 1 m bruinzwart bosveen, dat houtresten (berk en eik) en soms zelfs grote boomstam- en takfragmenten bevat. Naar de top toe wordt het venig materiaal meer amorf, zwart van kleur en vermengd met klei.
Dichter bij de zandstreek komt het veen hoger te liggen als een bruinzwarte, amorfe laag van 10 - 30 cm.
Waar de bodem is uitgeveend, treft men in de deklagen verspreide veenresten aan; soms ontbreken ze. Op sommige plaatsen werden de uitgeveende gronden door overstromingen opgevuld met gestratifieerd stroomzand en klei.


Hydrografie:
Geheel het gebied is volkomen vlak. Het ligt bijna overal tussen de niveaus + 2 m en + 4 m. Dit betekent dat het hele poldergebied bij normaal vloedpeil onder het watervlak van de Schelde is gelegen, terwijl het bij normale eb gemiddeld 1 meter erboven ligt.
Onder normale vloedomstandigheden zouden, bij afwezigheid van het dijkstelsel, alleen de opduikingen van Oud-Lillo en Kieldrecht en het zandgebied tussen Zandvliet en Berendrecht voor overstroming gevrijwaard blijven (peil + 5 m), maar ook deze gebieden zouden bij springvloed worden overstroomd. De aktieve Scheldedijken reiken dan ook ten minste tot het peil + 7 m. De meer in het binnenland gelegen slapersdijken hebben echter enigermate van hun oorspronkelijke hoogte ingeboet, tengevolge van beweiding en soms van partiële afgrazing.
Meestal zijn de geringe niveauverschillen van het pblderoppervlak niet rechtstreeks zichtbaar. Door vergelijking van het waterpeil in de sloten van één zelfde watering kan men nochtans hoger opgeslibde hoeken of lagere vlekken en stroken lokalizeren. Deze laatste zijn het duidelijkst waar te nemen langs de oevers van gedeeltelijk gedempte kreekgeulen. De geulen liggen inderdaad 0,5 m tot 1,5 m lager dan het omliggende polderland.
In enkele gevallen is er een duidelijke oeverwalvorming en bereikt het niveauverschil 1 tot 2 m. Tot de best bewaarde strookvormige depressies behoort,de Grote Geule in Kieldrecht.
Ongeveer even laag als deze kreekgeulen liggen de uitgeveende gronden, die meestal perceelsgewijze begrensd zijn en langs de perceelsranden door een trap van ca. 1 m van het omliggende land gescheiden zijn.
Biologische waarde:
Botanische typologie van de kreken
De Raeve stelde in 1975 een typologie op van de kreken, gebaseerd op een uitvoerige studie van de kreken bij Sint-Jan-in-Eremo en Assenede.
Het blijkt dat ook de Grote Geule in deze typologie kan worden ingepast. De Grote Geule behoort dan tot type 2, dit zijn relatief ondiepe kreken, meestal vrij zoet tot licht brak, verlandend met drijftillen. De oeverbegroeiing is zeer gevarieerd en rijk aan zeldzame planten.
Van brak naar zoet water
In heel het gebied, met uitzondering van het westelijk gedeelte (dat het water opvangt van de meer landinwaarts gelegen Salegemse Kreken), vertoont de vegetatie sporen van het zoute tot brakke Scheldewater. Dit kon vóór het plaatsen van een stuw aan de Grote Weel vrij doordringen in de kreek. Waar tot in 1977 zeeaster, zeebies en gerande schijnspurrie frekwent verspreid voorkwamen, vinden we nu nog enkel tamelijk uitgestrekte groeiplaatsen van zeebies. Er mag worden gesteld dat de bodem aan de kreekoevers hoe langer hoe meer het zoute karakter zal verliezen, zodat de zoutminnende planten verder zullen worden teruggedrongen. Een studie betreffende de waterkwaliteit van de Grote Geule door M. De Pauw wijst op een lichte verzilting van west naar oost. Dit is in overeenstemming met de geleidelijke toename per oppervlakte-eenheid van het aantal zoutminnende planten (zeebies, zeeaster, gerande schijnpurrie) van west naar oost.
Vegetatie
Het voorkomen van waterplantenvegetaties wordt sterk gedetermineerd door de kwaliteit van het kreekwater. In de omtrek van de lozingsplaats van het rioolwater van Kieldrecht en Nieuw-Namen is de waterplantengroei eerder miniem. Het tegenovergestelde stellen we vast aan de andere kant van het reservaat, nl. in het kreekgedeelte dat het op natuurlijke wijze gezuiverde water van de Salegemse Kreken opvangt. Daar kan men hoofdzakelijk volgende waterplanten aantreffen: klein kroos, gele plomp, kamfonteinkruid, gedoornd hoornblad.
De oevervegetatie is zeer goed en gevarieerd ontwikkeld. Bij steile oevers heeft zich aan de kant van het water een mooie kraag van riet en kleine lisdodde gevormd waartussen de zwanebloem groeit, met name bij "Het Vissersparadijs". Bij zachtglooiende oevers gaat de oevervegetatie geleidelijk over in een gediversifieerde moerasvegetatie, die zich tot in het water uitstrekt, met o.a. gele lis, zeebies, waterzuring en grote egelskop, en lager groeiend: moerasvergeetmijnietjes, rode waterereprijs, watermunt, ruwe bies en klein moerasscherm.
In de vochtige weide komen een aantal soorten voor die naargelang van de intensiteit van de beweiding tot bloei kunnen komen.
Hier treffen we diverse vertegenwoordigers aan van russen en zeggen moeras-, oever-, en ruige zegge, zomp-, tengere en platte rus), samen met water- en pijptorkruid en kleine watereppe. Verspreid zijn er ook groeiplaatsen van watermunt, samen met gele waterkers, moe-rasvergeetmijnietje, waterbies en aardbeiklaver.
De grens tussen de vochtige weide en de sterk begraasde weide (drogere gedeelten) verloopt zeer scherp. Vooral hoogte en bemesting bepalen er de plantesoorten. Hier werden ook een aantal nieuwe knotwilgen aangeplant. Verspreid over het geklasseerd gebied komen enkele mooie rijen knotwilgen voor, al dan niet afgewisseld met kanadapopulieren. Tussen de dichte pruiken van de knotwilgen kunnen hoofd zakelijk bitterzoet en vlier als epifyt groeien. Ze komen daar hoofd­zakelijk terecht door de verspreiding van de zaden via de spijsvertering van bosduiven, die in de kanada's en knotwilgen komen roesten. Onder de knotwilgen, die meestal weidekanten afzomen, groeien fraaie akkerkruiden. Naargelang van de tijd van het jaar geeft hun kleur telkens een ander uitzicht aan het terrein. Het zijn o.a. klaproos en zeepkruid met beemdkroon, gele morgenster en vogelmelk.
De avifauna
In het geheel van het Krekengebied van Oost- en Zeeuws-Vlaanderen biedt de Grote Geule een zeer interessante vogelwereld.
Ze neemt in belangrijkheid nog toe door de uitbreiding van de industrie in de polders van de Linkerscheldeoever.
Sedert het verdwijnen van belangrijke broedbiotopen (o.a. het Grote Gat van Doel, het natuurreservaat De Putten in Kieldrecht, de kilometerslange dijken met hun typische kanadapopulierenformaties, meidoorn- en vlierbossen en knotwilgen) zoeken de vogels hun toevlucht in en rond de Grote Geule, de enige kreek die in deze streek nog overblijft.
Naast zeer algemene watervogels treffen we er de avifauna van de steeds zeldzamer wordende rietkragen aan. Niet alleen watervogels, maar ook bewoners van weiden, slikken en schorren, ja zelfs van heide en broekbiotopen, worden er waargenomen.