Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland


In onze streek is het niet meer vanzelfsprekend dat er nog veel van het oude gereedschap van al wat vroeger met de landbouw te maken had aanwezig is. Tegenwoordig is alles vervangen door mechanische toestellen die daarom niet beter werken, maar in elk geval sneller arbeid toelaten, en in enkele gevallen ook betere arbeid. Laat het duidelijk zijn dat in het boerenbedrijf de moderne techniek nooit in staat zal zijn de kwaliteit van de handenarbeid en zijn oude werkmethoden te overtreffen, al is het alleen maar door het onbreken van het persoonlijke in de arbeid.

Gereedschappen zijn zeer bijzondere voorwerpen.
Gereedschappen zijn fijnzinnig uitgebrachte werktuigen die voortdurende aanpassing vragen en ook krijgen, om in alle omstandigheden doelmatig te worden gebruikt.
Zo vormen zij een geheel met de mens die ze hanteert.

Ook het boerenalaam geeft hiervan getuigenis.
De greedschappen en gerieven van het boerenerf vormen op zichzelf een lofzang op het gezond verstand van de boer.
Onze boeren zijn immers zeer voorname dragers van cultuurgoederen, en bovendien traditionele bewaarders en bewakers van de volksgebruiken die in onze Vlaamse Wase en Polderse gemeenschap wortelen.

Boerenwagen:


Deze sierlijke bouw beantwoordt aan zijn bestemming om zeer lichte vrachten graan, hooi en strooi in grote hoeveelheden te vervoeren.
Het hoog opstapelen van lichte vrachten vergt het vastleggen met een touw dat overlangs de vracht gespannen wordt.
Dit gebeurt door middel van de woel. Deze wordt bevestigd onderaan een essen balk, die de achterste wagenschemel doorboort en in de voorste wagenschemel vastzit, en de wagenboom wordt geheten.
De woelstang is rond en draait in twee beugels.


De kop ervan, die door de achterste beugel uitsteekt, is voorzien van een woel- of woelstok, waarmee het touw, dat er aan vastgehecht is, omheen de woel gewonden wordt. Dit touw, zeel of reep dat vooraan de wagen is vastgeknoopt, wordt over de vracht geslingerd, met volle kracht aangespannen en vastgehecht aan de haak van de woelstang.
Aldus wordt de oogst "gewoeld", omdat de vracht niet van de wagen zou vallen.
De spaken van de wielen zitten binnenwaarts gericht in de naaf of "bos" zodat het wiel schotelvormig is, wat het voordeel heeft in kleiachtige wegen dat het slijk gemakkelijk van de wielen valt. De paarden worden ingespannen, elk aan een zwengel, aan weerskanten van de dissel.

 



In de periode tussen de twee wereldoorlogen kon men deze "polderkar" af en toe nog in het Waasland zien ter gelegenheid van de wekelijkse marktdag.
Toen ook had ze veel bekijks om haar sierlijke constructie in de vorm van een sloep en haar schreeuwende kleuren, meestal rood en groen.
Op haar vier wielen bezat ze een grote stabiliteit en dat was wel nodig op de aardewegen die doorploegd waren van wielslagen en waar de ene put op de andere volgde.
Tijdens de winter en bij nat weer waren deze wegen in modderpoelen herschapen waarin de wielen soms tot aan de naaf wegzonken.
Zulke toestanden waren de wagenmakers goed bekend en dit is waarschijnlijk de reden waarom ze de lengte van deze karren zo groot hebben voorzien.
Door de grote afstand tussen de voor- en de achterwielen bestond de kans dat ten minste één wielstel betere grond onder zich had waardoor de mogelijkheid om volledig vast te lopen geringer werd.
De prijs van zulke wagens was niet gering, ze werden dan ook aanzien als een statussymbool, het enige waarbij de landbouwer zich veroorloofde af te wijken van zijn gekende soberheidszin.

De driewielkar:


De meest gebruikte wagen, vooral in Oost- en West-Vlaanderen, was de driewielkar waarmee men de meest verschillende zaken vervoerde.
De kar kwam in gebruik vanaf het begin van de 19de eeuw. Achteraan had de driewieler twee grote wielen en vooraan een klein wiel (voorloper).
Dat kleine wiel was oorspronkelijk (tot ca. 1870) moeilijk draaibaar. Vandaar noemde men de driewielkar ook wel de 'zottekar'.
De karbak ligt op het houten onderstel (snak) en kan worden gekanteld. De zijborden werden soms verhoogd.
Dat was handig voor het vervoeren en het lossen van aardappelen of bieten. Met de driewieler werden niet alleen het zaaigraan, de mest, het klaver of loof, … maar ook de ploeg en de eg van en naar het land gevoerd.
Op de karbak plaatste men soms de varkensren om de zeugen naar de beer te brengen.
De karbak kon worden afgenomen en worden vervangen door de beerbak.
Die bak was bovenaan vlak en onderaan afgerond en kon ongeveer 500 à 600 liter beer of aal bevatten.
In de polderstreek werd het land meestal eenmaal per jaar, in de maand april, bemest. In de zandstreek bemestte men het land meermaals per jaar.
In de polder vervoerden de geburen de doden. Vooraan de lijkstoet reed de "peerdenknecht" van het huis op het paard.

 



Grotendeels uit hout, aanvankelijk ook alle wielen die dan met een ijzeren band werden beslaan, nadien werden die wielen dus vervangen door rubberen autobanden


Oogsthek en oogstladder:

De hoogsels zijn houten of metalen tralievormige schotten die op een boerenwagen worden geplaatst aan de voor- en achterzijde "oogsthekken" en aan de zijkanten "oogstladder".
De hoogsels hellen steeds naar buiten toe en worden met kettingen vastgezet.
Worden gebruikt voor het vergroten van het laadvolume van de boeren- of de landbouwwagen zodat meer schoven kunnen worden gestapeld.

Hoogsels
Volgeladen kar

Wagenwip:
De wagenwip is een verplaatsbaar houten toestel dat bestaat uit eenlange hefboom en een krachtarm die steunt op een tweebenig onderstel.
Gebruikt om karren en wagens een weinig van de grond te lichten om er een wiel van af te nemen; bijvoorbeeld om de as te smeren.


De tweewielkar:



De boomezel of mallejan:


Nog andere benamingen zijn "triekbal". Gebeurde het vervoer over de weg dan werden de bomen eerst uit de velden gesleept met het paard tot wanneer men vaste grond onder de wielen had, dan werden de stammen onder de boomezel vastgebonden.
Er bestonden verschillende maten van boomezels met grote en kleine wielen.


Zo een mallejan was een vaarboom, bevestigd aan een as waaraan twee wielen zitten. De as waaraan de vaarboom was bevestigd, lag excentrisch ten opzicht van de wielen, daardoor bereikte men dat, indien de vaarboom naar omhoog werd gestoken, de as korter bij de grond kwam.
De onderstam of twee onderstammen werden dan in kettingen geslagen, die aan de as werden vastgemaakt.
Haalde men de vaarboom nu naar beneden dan diende deze als krachtarm om de stammen van de grond te tillen. Boven op deze as en op de onderstammen legde men het lichtere hout.
Het paard diende als trekkracht voor dit ruwe werk. Soms werd er ook gebruik gemaakt van een boerenwagen waarvan men de laadbak kon demonteren en zo twee afzonderlijke draagwielstellen bekwam. Zo kon men boomstammen laden.
Dit vervoermiddel werd het meest gebruikt om sparren en hoppepalen te vervoeren.


De gierwagen:


Een beerwagen of gierkar is een driewielkar waarop de gierton werd geplaatst.
De gierton lag er, meestal los afneembaar, op een schraag of een "stelling".
Wanneer geen giertonschraag beschikbaar was, werd de gierton gewoon ondersteund met bundels stro. Er bestaat ook een tweewielkar "treemkar" met vaste gierton.
Werd gebruikt voor het vervoeren van vloeibare mest (aal, beer, gier,) of vloeibare scheikundige meststoffen naar het te bemesten land.


Gierbak:


Met de beerkar wordt de beer in een beerbak naar de akker gebracht. Uit een gat achteraan de bak vloeit de mest op een plank waardoor hij verspreid op het land neervalt. Lengte: 250 cm. Doormeter achterwielen: 107 cm. Doormeter voorwiel: 60 cm.

Oude draagbare beerbak, dit was ook het werk van de wagenmaker.

 

Gierroerder:

Is een lange houten stok die onderaan was voorzien van een dwarslat of van een dwarsblok.
Gebruikt om de gier of de beer in de kuil wat los te roeren of los te stampen vooraleer die werd opgepompt.
Beerlepel:
Bestaat uit een ronde, soms potvormige ijzeren scheplepel, bevestigd aan een lange houten steel.
Gebruikt om de gier of beer uit de put te scheppen en eventueel open te spreiden.
Gierton:
Gebruikt om vloeibare mest (aal, beer, gier,) in te verplaatsen.

Gierroerder
Beerlepel
Gieremmer
Gierton


Bemesting met beer:

De traditionele bemesting rond de eeuwwisseling bestond hoofdzakelijk uit "beer" en "stalmest" .
Het gebruik van zout , t;t.z. scheikundige meststoffen begon stilaan,maar toch bleef het hoofdzakelijk bij beer en stalmest.
De beer werd bij particulieren opgehaald. Gemeenten met ietwat standing beperkten het vervoeren van beer in de kom der gemeente.
Voor Beveren was " beervoeren" enkel toegelaten maandagvoormiddag.
's Maandags reden dan ook de beerkarren door het dorp.
Het waren meestal driewielkarren waarop een rood geverfde "beerbak" was geplaatst.
Die bak was bovenaan afgedekt mat balen en dekplanken, om zo te beletten dat teveel beer uit het vat zou wegspatten.
Bovenop de bak lag dan de "draagbak met stok" voor twee dragers, en ook de "beerbank" en de "beerloet".
Met de beerloet werd de beerput leeggehaald. Eens de draagbak gevuld, werd die naar de beerkar gedragen, op de bank geplaatst, en nadat de dragers eveneens op de bank waren geklommen werd de draagbak geledigd in de beerbak.
Eens gevuld reed men naar de akker op de weide,waar al rijdend, met de "beerlepel" of met de "beerschup" (met rechte steel) de beer uit de bak op het land werd gelepeld of "gewiesd".
Was de beerbak voorzien van een "tap" dan werd onder het gat een "beerstuk" bevestigd, zodanig dat de uitstromende beer als door een sproeier werd opengespreid.
De boer betaalde een vergoeding aan de eigenaar. Deze was afhankelijk van het resultaat van het "beerproeven" .
Waterachtige beer, weinig zoutsmakende beer werd minder vergoed.

Mestkar:

De stalmest
Het stro dat in de stallen werd gebracht, verhuisde nadien met de uitwerpselen der dieren naar de messing, waar de bacteriewerking plaats had.
Het reinigen der stallen, het uitmesten gebeurde met een “viertandige riek”.
Wanneer de stalmest naar de akker moest werd de mestput leeggehaald: een ”viertandige riek” met gebogen tanden. Soms lag de mest zo vast dat deze moest gestoken of gesneden worden. Dat deed de boer met de “mestgraaf” een aan twee kanten snijdend puntige spade.
Op het te bemesten land werd op regelmatige afstanden de mest van de wagen getrokken met de “mesthaak” , en nadien over het land verdeeld met de “riek”.
Die bewerking noemde men mest “breken” of mest “breden”.
Daarna kon gespit of geploegd worden.

Pikdorser:




Hooikeerder:





Aardappelplanter:





Kruiwagen:

Een kruiwagen is een met de hand bewogen voertuig op één wiel. Dit wiel is gevat tussen de uiteinden van twee draagbomen (berries) die aan het andere uiteinde met de hand worden opgetild.
Op deze draagbomen is een laadvlak voorzien met een schuin opstaand bord achter het wiel (het "hoofdbord") en eventueel zij- en achterwanden (bij de bakkruiwagen). Onder elk van de draagbomen is (met uitzondering van oude modellen met sterk gebogen draagbomen) een steunpoot voorzien.
Er bestaan verschillende types kruiwagen, o.a. het lattentype, de bakkruiwagen. De recentere metalen kruiwagen is afgeleid van de vaste bakkruiwagen.
Gebuikt om allerlei kleinere lasten te vervoeren.



Slijpsteen:

Ronde zandsteen draaiend in een waterbad, met de hand voortbewogen.
Gebruikt voor het scherpen van allerlei kleine gereedschappen. Door het water heeft men geen warmteontwikkeling en blijft de hardheid van de metalen gewaarborgd.


Brugbalans:

De brugbalans bestaat uit een houten of metalen vloertje de brug genaamd,waarop de te wegen last wordt geplaatst.
Achter de opstaande brugwand is de brug aan de lastarm van een hefboomsysteem opgehangen.
Aan de krachtarm van de hefboom hangt een schaal of een plankje waarop de gewichten worden geplaatst.
De hefboom rust, iets uit zijn middelpunt, op een opstaande plank (spil) .
Soms zijn er één of twee over een meetlat verschuifbare precisiegewichten op de krachtarm gemonteerd.
Er bestaan ook grotere brugbalansen; ze zijn dikwijls voorzien van al of niet tralievormige wanden zodat ook vee kan worden gewogen.


Er was ook nog voor zwaardere wegingen een zwaar tegengewicht met ronde vorm dat ook geijkt was.
Voor gebruik met grotere balans.


Ontromer:

Met dit toestel wordt room gescheiden van de rest van de melk. Door de zwengel wordt de melk rondgezwierd in de kuip, zodat zware en lichte elementen uiteendrijven..



De melkontromer heeft een gietijzeren voetstuk (huis waaraan de werkende delen zijn bevestigd,o.a. een sneldraaiende trommel (1200 tot 10.000 omwentelingen per minuut) die is opgehangen in een ruimte met twee afvoerbuizen, een voor de room en een voor de afgeroomde melk.
De draaiende beweging wordt van een zwengel (of een andere aandrijfkracht ) via een tandradsysteem, dat in het gietijzeren huis is ingebouwd, overgebracht.
Boven dit huis is de vergaarbak voor de melk gemonteerd.
Die melk wordt via een balanstrechter en een trechter met lange afloopbuis met een constant debiet in de draaiende trommel gebracht.
Ontromers die met de hand worden aangedreven "handontromers"ontromen 50 tot 600 l melk per uur; andere 250 tot 2000 l per uur.

Wan:


De wan werd gebruikt voor het reinigen van graan.
De graankorrels werden in de wan gebracht en in de wind, omhoog geschud.
Het zwaardere graan viel neer, maar kaf en stof werden dan met de wind meegevoerd.
Zwaardere onreinheden werden met de hand verwijderd.
De wan is een grote (ca. 90-100 cm bij 75cm), platte schaalvormige korf zonder opstaande rand aan één zijde.
Ze is gemaakt uit tenen en voorzien van twee wilgenhouten of hazelaren handgrepen.
In tegenstelling tot de graanzeef waarbij men op grootte van het materiaal sorteert, wordt bij de wan, evenals bij de wanschop het koren van kaf, kortstro en andere onzuiverheden gescheiden door het verschil in gewicht.
Door de wan te schudden met een draaiende beweging of op te werpen samen met een verplaatsing van achter naar voor, worden de lichte onzuiverheden in het graan door de wind of de tocht weggeblazen. De zwaardere worden met de hand, eventueel met een pluim, verwijderd.
Dat werk gebeurde buiten of in de schuur waar men dan voor tocht zorgde.
De grote zeven werden opgehangen en met een draaiende beweging werd hett graan in de zeef rondgevoerd.
Er waren ook kleinere zeven , alles hing natuurlijk af van de aard van het te zeven zaad.
Zo zijn er klaverzeven, erwtenzeven, e.a.

Wanmolen of kafmolen ook winnewan:


Overkoeten.nl
Wanmolen uit Waase polder

Het te zuiveren graan werd bovenaan in de zeven gebracht, veelal met een speciale bak.
Binnenin waren windborden die, al draaiend een luchtstroom door de schuddende zeven voerde, en zo het graan reinigden.

De wanmolen, ook wel kafmolen genoemd, was ook niet zomaar een machine op een boerderij maar eerder een pronkstuk.
Vroege exemplaren werden voorzien van prachtig beeldsnijwerk en sierlijke ornamenten.
Een wanmolen was een rijk bezit.

Dorsvlegel:


De "dorsvlegel was een stok die bovenaan voorzien was van een ijzeren oog, dat aan twee kanten van de stok was vastgemaakt.
Met een lederen snoer werd het rond slaghout aan de stok vastgemaakt.
Om het losgaan te verhinderen waren meedere insnijdingen voorzien waarin het snoer was vastgeknoopt.
Voor het dorsen van boekweit gebruikte men een lichter slaghout, de "boekweitvlegel'.
De Limburgse vlegel had een kort en dik slaghout.

Handwerktuig waarmee graan wordt gedorst door op de grond liggende losgemaakte schoven te kloppen.
Tussendoor worden de halmen met een (houten) hooivork gekeerd. Wanneer alle korrels uit de aren zijn gevallen worden de halmen weer gebonden.
Het graan wordt met behulp van een blokhark samen geduwd. De vlegel bestaat uit een houten steel (ca. 130-150cm) en een zwaardere - meestal uit haagbeuk - knuppel (lengte ca. 60-80cm; diam. ca. 5-10cm) die beweeglijk aan elkaar zijn bevestigd. Afmetingen en vorm van de onderdelen verschillen naargelang de periode en de streek.
Ook de verbinding tussen de twee delen is verschillend van streek tot streek .
Het werkend deel kan voorzien zijn van een leren kap of doorboord zijn.
De steel kan eveneens voorzien zijn van een leren lus of van een ijzeren oog dat op het steeleinde is bevestigd door middel van twee veren. De twee delen zijn met elkaar verbonden doordat de twee lussen in elkaar grijpen of door middel van een gedroogde palinghuid of leren riem aan elkaar gebonden worden.

Maïsplanter:

De maïsplanter kan maïs per maïs in de grond planten.
Er waren toestellen om met twee handen te planten, door de handgrepen naar elkaar te bewegen kreeg men telkens een nieuw zaadje.

Ook was er een toestel om deze bewerking met één hand te doen.
Door een veermechanisme zijdelings tegen de grond te drukken verkreeg men ook het transport van één zaadje.



Zeeldraaier:

Op de boerderij maakte men de koorden voor allerlei gebruik zelf.
Voor de koeien vast te leggen had men de meeste touwen nodig.


Het vervaardigen van touwen op ambachtelijke wijze bestaat erin over een bepaalde afstand, grootte van het touw, een aantal draden in elkaar te laten strengelen met een oud zelf vervaardigd hulpmiddel.
Langs één zijde worden de gespannen enkel- draden rondgedraaid, terzelfdertijd brengt men het speciale toestelletje tussen de draden aan om deze te twijnen.



Katrollen:


Voor het verplaatsen en transporteren van allerlei goederen en materialen vooral in de hoogte werden vroeger houten katrollen gebruikt.

Maaien:


Zeis:


Men gebruikt een zeis om gras te maaien voor het hooi, om graan te oogsten en om onkruid te verwijderen.
Een zeis heeft een lang (ca. 50-100 cm) licht gebogen blad met een brede rug, eindigend in een punt, dat haaks op een lange (ca. 150-200 cm) houten of ijzeren steel - boom genoemd - bevestigd is .
De verbinding gebeurt door middel van een ring en een wig of een schroef, zodat de hoek tussen blad en steel gewijzigd kan worden en het blad makkelijk afgenomen om het te haren.
De steel kan recht, S-vormig of Y-vormig zijn, zonder handvatten of met één of twee handvatten, die verstelbaar zijn.
Op de rechte boom wordt soms een wethout bevestigd.Voor het hooien gebruikt men een zeis waarop onderaan een houten of ijzeren beugel bevestigd is, die het gesneden gras meesleept.
Die zeis dient ook om onkruid te maaien. Wanneer tussen struiken e.d. gewerkt wordt, geeft men dan de voorkeur aan een zeis met kort blad (ca. 40 cm) en zonder beugel.
Een zeis met een of twee houten beugels wordt gebruikt om graan te oogsten.
De maaier werkt dan binnenwaarts, m.a.w. de staande halmen bevinden zich links van hem, het gemaaide gedeelte, rechts van hem ; de afgesneden halmen vallen tegen de staande.
Er bestaat voor het graan ook een zeis met kam; de tanden zorgen ervoor dat de halmen alle in dezelfde richting vallen wanneer ze afgesneden worden. Dat maakt het makkelijker om ze nadien tot schoven te binden. Met die zeis wordt buitenwaarts gemaaid .De zeis wordt met beide handen gehanteerd. Door een zwaaiende beweging vanuit de heup te maken, wordt het gras of het graan afgesneden.
Het werktuig snijdt dus door wrijving, in tegenstelling tot de zicht.
Het "haren" van de zeis is eigenlijk het scherpen, de zeis moet "haarscherp" zijn.


Het uiteinde van de steel was soms op een punt, deze kon men in de grond steken voor een betere steun voor het scherpen met de wedsteen.
Wanneer er veel met zeis werd gewerkt en men veel moest wedden werd met metaal te dik, om dit te verhelpen werd een klein soort ambeeld in de grond geslagen waar men de zeis kon opleggen en hameren tot men terug een fijne snede had. Het ijzer werd "orgeltouw" genoemd, het werd in de grond geslagen tot men op de ringen zat die er in de breedte aangelast waren.

Bietenmolen:

Een dagelijks werk op de boerderij was het fijnsnijden van de bieten of rapen.
Hierdoor kreeg men kleine stukken vermengd die men mengde met bollenkaf van vlas en kaf van graan en mais.
Met de verkregen mengeling werden de jonge dieren gevoederd.
Door aan het wiel te draaien werden de messen in beweging gebracht .
De latere modellen werden door een elektrische motor aangedreven.


Gerief voor rooien van bieten:...



Bij de bietenoogst werden de bieten ontkopt met een "bietenmes", soms met de" grassikkel ".
De "bietensteker" is een tweetandige ijzeren vork, aan de basis ietwat gerond. De uiteinden waren soms puntig en in enkele gevallen breed uitgesmeed.
De vork werd naast de biet in de grond gestoken en met de korte steel neer te drukken, werd de biet uit de grond geduwd.
Sommige bietenstekers werden voorzien van een pedaal, die links of rechts werd aangebracht, zo kon de biet met de voet uit de grond worden geduwd.
Sommigen meenden dat teveel grond (polder) aan de vork kleefde dat daardoor het werk zeer werd bemoeilijkt.
De jongste vormen zijn geen vorken meer, maar enkel nog een steel die stevig bekleed werd met ijzeren punt die onderaan een smalle of brede inkeping vertoonde.
Bij het verladen van de biet werd gebruik gemaakt van een "bietenriek", een meertandige nogal breed uitstaande riek waarvan de buitenste tanden minder gebogen zijn dan de andere en op die wijze een soort korf vormden.



Met het bietenmes of bietenhakmes wordt de kop met het loof van de suikerbiet afgehakt nadat de biet is gerooid. Het snijblad is gebogen en zit met een angel in het handvat gedreven.
Waar de angel in het handvat loopt, zit een ijzeren ring om het splijten van het hout te voorkomen.
Voor hetzelfde doel gebruikt men ook wel de bietenkopschoffel of de mechanische bietenkopper


.Veeverlosser:
Hulpmiddel voor het kalveren.
Gewoonlijk gemaakt door de wagenmaker.
De touwen werden aan de poten van het kalf bevestigd en aan de as achteraan werd met behulp van de staven kracht ontwikkeld.


Sproeier:
Met een pompsysteem werd het koperen vat waar de sproeisstof in zit onder druk gebracht.
De sproeikop vernevelde het sproeisel onder druk.




Elektrische graanmolen:


Voor diverse graansoorten en zaden te malen.
Twee draaiende stenen pletten het zaad in de molen.
Het graan werd bovenaan in de trechtervormige bak gekiept, het zakte naar beneden op en tussen de molenstenen en geplet.
Het graan werd onderaan opgevangen.


Boterton:

Karn ,karnton of boterton:
Meest gebruikt in de polder was een rechtopstaand houten vat op ronddraaiende as.
Dit allse gemonteerd op een stevig houten onderstel.
Door de handzwengel aan de zijkant te draaien werd de ton om haar as gedraaid tot de melk gekarnt was.
Het deksel werd met scharnierende klemmen gedicht zodat alles goed dicht was tijdens het karnen.
De ton werd maar 2/3 gevuld zodat men genoeg ruimte had voor het karnen.
Er was ook onderaan het vat een houten stop om de karnemelk af te laten.
Men karnde veel met zure melk of room die drie dagen in de kelder had gestaan dit tvoor betere smaak van de boter.
In de zomer kon het karnproces wel een half uur duren.




Aardappelmand:


Gebruikt  voor het oogsten en verzamelen van aardappelen.          
Overtollige aarde zal door de mand heen vallen en dus geen extra gewicht met zich meebrengen.
Ook wanneer je de aardappelen  wil afspoelen loopt het water en het vuil gewoon weg uit de mand.



Zaaien: en bemesten:


Tot halverwege de negentiende eeuw gebeurde het zaaien van het graan uitsluitend met de hand. De boer droeg het zaaigraan op de arm, meestal in een zaaikleed, soms in een zaaikorf, vanaf het begin van de twintigste eeuw ook op de buik in een zaaibak en strooide het met de hand in brede bewegingen over het land. Het vereiste veel ervaring en concentratie om het graan gelijkmatig over de akker te verspreiden. Het zaaien was dan ook een klus die de boer of eventueel de meesterknecht voor zichzelf hield.

Vleesmolen:
Dit keukengerei dateert uit de tijd dat er bijna bij iedere woning een varken geslacht werd. Uit de tijd dat de varkensvereniging nog veel leden had. We kijken dus ongeveer 50 jaar terug. Na het slachten van het varken werd een deel van het vlees aan huis verwerkt tot gehakt en worst. Hier had men de vleesmolen oftewel gehaktmolen voor. De animo om te mogen draaien was vrij groot. Met een hulpstuk en een deel van de darmen werd er worst gedraaid