Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland



In het Waasland kan men bodemkundig twee streken onderscheiden: het hoogland en het polderland.
Het hoogland (de zandstreek) rijst in het zuiden tamelijk steil op uit de meersen der Schelde- en Durmeoevers, met het hoogste punt in de Waasmunster-heide (33 meter). Deze helling, door de geologen cuesta genoemd, en de hoogvlakte, door het volk den hogen genaamd, die eerst golvend wegglooit om vervolgens westwaarts te dalen van Sint-Niklaas tot Lokeren en Moerbeke, dus van 15 meter tot 4 meter. Daar begint het zandige laagland dat naar het noorden toe overgaat in een platte vlakte, het polderland.
In het hoogland en het laagland vinden we overal hetzelfde hoevetype, zodat we, om alle verwarring te vermijden, verder alleen de termen hoogland en polderland zullen gebruiken. Het bodemkundig verschil heeft zijn invloed laten gelden op de karakters alsook op de levenswijze en de gebruiken van de bewoners van deze twee verschillende streken.
Karakterverschil tussen de boeren van het polderland en hoogland:
De polderboer is zeker een heel gekenmerkt type. Hij huist in een vlakke naakte streek, de hoeven liggen met groepen op zeer grote afstanden van elkander, zij zijn groot en gebruiken knechten en werklieden, zodat de boer in de polder veel meer het karakter van ondernemer draagt dan die van de Hogen. Wat U dan allereerst opvalt, is de fierheid, de onafhankelijkheid dezer bevolking.
Op de Hogen ontvangt men U neergezeten op een stoel, niet zelden wordt men in de polder ontvangen door de boer, majestueus in een zetel rustend. Men zal U ook in de polder met wijn durven ontvangen. Die fierheid brengt een ware gemeenschapsgeest onder de polderboeren. Geen adeldom houdt zich boven de menigte als de polderboeren zich boven de hooglanders stellen, zei me een gemeentesecretaris van een aan de polder grenzend dorp. Op de militieraad, zei hij, zullen altijd de burgemeesters van de polder aan de ene kant van de zaal blijven zitten, zonder zich met die uit den Hogen te vermengen, alhoewel er geen schijn van misverstand tussen beiden heerst. Met een boerin uit den Hogen trouwen is onder de stand trouwen, hoe rijk zij ook moge zijn. Dit gaat zover dat geen polderboer ooit zijn merrie bij een hengst op den Hogen zou leiden. Het is een ware adel.
Hier kunnen we nog aan toevoegen dat de boer uit de zandstreek, het hoogland, de grootte der akkers schat in bunders, gemeten en roeden (oude vlaktematen), die uit het Polderland in hectaren (nieuwe vlaktemaat). De boer uit de zandstreek is doorgaans eigenaar van zijn weilanden en akkers en zijn grootste levensbetrachting is steeds meer akkers te kunnen kopen. De boer uit het Polderland daarentegen is meestal een pachter, zijn vermogen zit in zijn veestapel en in geldbeleggingen. Het land van het Polderland behoort grotendeels toe aan grootgrondbezitters.
Wanneer de polderboer informeert naar de deftigheid, de standing van een boer uit het Hoogland, dan vraagt hij hoeveel gemet akkers die bezit. Wanneer anderzijds de boer uit het Hoogland het fortuin van de polderboer wil schatten, vraagt hij hoeveel paarden er op stal staan, want het aantal paarden duidt aan hoeveel hectaren grond hij als landbouwer exploiteert.
De polderboer is in feite hooghartig en houdt van uiterlijke pronk. Spreken de sagen van zijn collega's uit het verdronken Land van Saeftinghe niet over hun paarden wier hoefijzers met gouden nagels waren beslagen, al behoort deze vermeende rijkdom tot de volksfantasie?
De boer uit het hoogland is daartegenover meer bescheiden. Wanneer men de zandboer naar de staat van zijn gezondheid vraagt, antwoordt hij: mager en taai.
En zo schetst hij bondig in een paar woorden heel het moeizaam en onversaagd strijden voor zijn bestaan.

Afbakening van het erf:
Het erf is gewoonlijk door een haag ingesloten.
Deze haag weerhoudt de hoenders en het kleinvee zich van de hof te verwijderen.
De levende afsluiting is op spaarzame wijze verkregen, ze vraagt weinig onderhoud.
Het zijn dikwijls de zogenaamde "Spaanse hagen".
Deze onderscheiden zich door hun vastheid en hun ineenstrengelende groei van de zogenaamde "boekenhagen", doornhagen of palmhagen.Is het blad van de haag fijn gevormd, dan is het een meisjeshaag, indien grof, een mannekens- of jongenshaag.
Vroeger werd in de pachtbrieven bepaald hoe de hagen moesten zijn rondom elk stuk land.
Deze omheiningen worden ook "tuinen" genoemd. Benevens de "levende" haag is ook de "dode" haag in gebruik.
Deze bestaat gewoonlijk uit een afsluiting met dood hout ofwel uit een sterk vlechtwerk van wilgentakken en eikenhout; deze takken worden eerst gekloofd en daarna in de grond geplant.
Een dergelijke afsluiting wordt om de drie jaar vernieuwd.In de streek van Veurne-Ambacht komt het gebruik van in vlechtwerk uitgevoerde omtuiningen nog zeer veel voor, ook in Frans-Vlaanderen.
Deze afluiting is oeroud. Is de hofstede omwald, dan wordt gewoonlijk geen omtuining aangebracht.


Toegang tot het erf:
De toegang tot het hof vormt een mobiel afsluiting, hetzij deur of hek. Deze afsluitingen noemt men ook balie, stoephekjes, stoeppalen, hekposten, hekpalen, uitkijkhekjes enz. Bij oude omwalde hoeven wordt nog een poortgevel ofwel een poortgebouw in ere gehouden, vaak geflankeerd door krachtige steunberen, die als een versperring tot ver in het slootwater reiken.Sporadisch wordt nog een versterkt poortgebouw opgemerkt, voorzien van kantelen en schietgaten. De ruimte, die boven de doorgang ligt en afgedekt is door een zadeldak, was vroeger als duivenhok ingericht.
Dergelijke duiventorens hadden dikwijls een effectvolle indruk.
De poortgevels ( een breed muurvlak voorzien van een poortopening met afsluithek) kunnen wel eens versierd zijn met de wapenschilden van de vroegere bezitters.
Andere poorten bestaan gewoonweg uit twee gemetselde hekpijlers, aan de bovenzijde verbonden door een geprofileerde grote dwarsbalk, waarop een overkuiving is aangebracht. Typisch zijn vooral de "stoephekjes", waarover men heenstappen kan zonder de "barreel" te moeten opendraaien.
De sloopgeest van voorbije eeuwen heeft jammer genoeg talrijke karakteristieke bakstenen poortgebouwen uit de gotische en renaissancetijd en latere perioden doen verdwijnen.
Bij het betreden van een neerhof maken we gewoonlijk kennis met de trouwe waakhond.
Vaak huizen deze dieren, die de vreemde bezoekers moeten aankondigen in een houten hok.
Zelden vinden we nog de gemetselde schuilplaatsen, die uit vroegere tijden dateren, zoals er o.m. in de 13e eeuw in Koksijde heeft gestaan.
Het was een kwartferisch, overkoepeld miniatuur gebouwtje, dat aan de voorzijde voorzien was van een sierlijk geprofileerde windberg.
Dit gebouwtje behoorde tot de abdij Ter Duinen.
Deuren en poorten van stal en schuur worden in het hoogland meestal in het blauw (blauwselkleur) geschilderd. Dit is ook het geval met de plukladders, daar blauw voorheen een magische beschermende kleur was. In het polderland worden de poorten der schuren, alsook alle houten wanden, met koolteer in het zwart geverfd, zoals de Zeeuwse boeren dit plachten te doen, zulks om het hout tegen klimatologische invloeden te beschermen.
De venstertjes, alsook het deurtje in de menpoort, zijn dan soms omlijst met een wit boordje, oud behoedmiddel tegen kwade krachten. In het hoogland gebruikte men hiervoor witgekalkte kruisen als bezweringstekens. Bij oude hoeven kwam het ook voor dat een eenbeukig of driebeukig karrekot, met een hooischelf erboven, als afzonderlijk gebouw op het erf stond. De inrij van het karrekot werd doorgaans afgesloten met een gordijn van lang stro (gelei), die de gevlochten euzie vormde. Langs de Scheldekant, waar wissen voor de mandemakerijen groeiden, was de inrij met een gordijn van lange afgestroopte vellen van wissen afgesloten. Onder het strooien- of pannendak dat over de muur van de schuur uitstak, ook euzie genaamd, hingen de boeren het grootste gedeelte van hun alaam. Zo kon men nog op niet vernieuwde hoeven volgend gereedschap zien hangen: eggen, ploegen, plukladders, zeisen, pikken, sikkels, harken, spaden en beerpompen. Paardegarelen hingen naast de deur van de paardestal. Zeisen en pikken hingen ook soms in een der fruitbomen naast de hoeve, om ze voor het oogsten vlug bij de hand te hebben.
Het houten hek met vruchtbaarheidstekens:
Het houten poorthek, alsook de vensterluiken en de voordeur van de boerenwoning werden in het groen geschilderd, de latere ijzeren hekken in het rood. De symbolische motieven op de lattoppen of op de makelaar van het houten hek werden in het wit gezet.
Deze symbolen zijn oude vruchtbaarheidstekens. Op de lattoppen prijkten driespruiten en pijken (symbolen van de groeikracht) en op de makelaar of middenlat werden het varianten van zonnetekens (de zon als vruchtbaarheidsschepper) alsook de vorm van het hart (symbool van Moederaarde).
Deze symbolen gebruikten de metselaars eveneens als ambachtelijke metselaarstekens, de smeden op de muurankers, de gareelmakers op de paardegarelen en oogkleppen, de timmerlieden voor de geveltoptekens.
Door het verdwijnen der boomgaarden rond de hoeven, waarin het vee te grazen werd gezet, was het afsluiten van het boerenerf geen noodzaak meer en verdwenen de hekken grotendeels.


Duiventoren:
Soms staat als een voornaam teken van adel een architectonisch verzorgde duiventoren op het neerhof van de kasteelhoeve of oude heerlijkheid.
In de Middeleeuwen was het houden van duiven een voorrecht.
Een gewone man zonder heerlijkheid of rechtsmacht mocht geen duivenhuis bezitten. Dit recht behoorde alleen de geestelijkheid en den adel.
Het duivenkweken behoorde tot een van de voornaamste bezigheden van de landedelman. Van de 13e tot de 18e eeuw was het een belangrijk onderdeel van de voeding.


Vroeger maakten de duiven deel uit van het goed; de pachter moest bij zijn afscheid de duivenkeet zo bevolkt laten als bij zijn aankomst.
Een duifhuis (duivenkot, duiventil) is gewoonlijk uit baksteen gebouwd.
Ook getimmerde, in vakwerk uitgevoerde en met stro afgedekte duivenhuizen hebben bestaan. Het zijn vrijstaande gebouwtjes, op een stenen voet opgericht, of in de vorm van een miniatuur-paalspijker. Het in baksteen opgetrokken Vlaamse duifhuis op rechthoekig grondplan onderscheidt zich op treffende wijze van de zware, massief ronde duiventoren in Noord-Frankrjk.
Zelden komen in Vlaanderen torens voor op rond, zes- of achthoekig grondplan.
Onze metselaars wisten dikwijls een treffende en schilderachtige oplossing te vinden voor de bouw van onze duivenketen.
De vlak gemetselde torenromp is aan het bovendeel door een aantal duivengaten onderbroken, die meermalen een meetkundige versiering vormen.
Een op geprofileerde zandstenen consoles rustende slag legt een schaduwlijn op de gevelzijde, die als hoofd- of voorgevel van het duivenhuis wordt beschouwd. Het kan ook gebeuren, dat de gevelstenen jaarcijfers of wapens voorstellen.
Langs binnen zijn deze torentjes voorzien van een draaiende paal met ladders, waarmee de vele nisvormige in de wand aangebrachte nesten te bereiken zijn. De binnenruimte is afgedekt door een tussen twee trapgevels ingesloten zadeldak, ofwel door overhoeks in elkaar gewerkte zadeldaken tussen vier trapgevels, zelden echter door een veelvuldige spits.

Bakhuis:
Op het erf treffen we dikwijls ook een bakhuis aan, dat soms volkomen afgezonderd is van de woning en de overige dienstgebouwen.
Zulk een miniatuur gebouwtje kan uit twee delen bestaan: het deegkot en de eigenlijke oven.Van de 12e eeuw begonnen de boeren private ovens te plaatsen. Ovenkot, ovenhuis, bakhuis, ovenbuur, ovenboor, bakkete zijn termen die vroeger in Vlaanderen veel gebruikt werden.
Boven de bakoven (bovenoven) is gewoonlijk een droogplaats; onder de oven (ovenkelder, ovenvout of assekot) is een kleine ruimte voorbehouden die door een houten geraamte of stoel ingesloten is. Vuurvaste steek- of kleistenen vormen het kwartferische gewelf van de ovenholte.
De ovenromp wordt gebakken. Gedroogde steekstenen worden met natte klei tot een gewelfvormig geheel gemetseld.
Daarna wordt gedurende drie dagen gestookt, ten einde de romp tot een vaste massa te bakken, een werk dat door steenbakkers wordt verricht. Wanneer de oven gemaakt is uit kleem (kleiaarde) met gehakt stro, dan hebben we een koekoven (van koeken, kleikoeken = gedroogde en niet gebakken kleistenen)
Een jongere techniek is in gebruik bij de z.g. steenoven. Deze is zo dik gemaakt, dat de warmte gedurende het bakken van het brood er niet doorheen kan trekken, waardoor steeds een gelijke temperatuur blijft behouden.
Vroeger bestond de bakoven eenvoudig uit een kleine ovenromp, die gewoonlijk op een houten onderstel of stoel ruste.
Onder de oven lag het assekot. Dit zijn de open ovens. Ze liggen bloot om na gebruik gemakkelijker af te koelen en het barsten tegen te gaan.
Een schilddakje en een hangend vlechtwerk uit stro volstaan om de open romp tegen regen te beschermen.
Een gesloten bakhuis is comfortabeler ingericht. Deze bakhuizen kunnen wel eens groot zijn en met smaak uitgevoerd.
Bijzonder decoratief is dan de gevelpartij, die versierd is met gekleurde bakstenen in kruisvorm, een niskappelletje ofwel gevelstenen met jaarcijfer.
Dergelijke bakhuizen noemt men wijkovens; hier wordt het brood gebakken voor hen, die over geen eigen oven beschikken.
Een weekoven daarentegen is voor eigen gebruik.

Toegangswegen:

De toegangswegen vanaf de openbare weg tot aan het hof moeten steeds goed verhard worden. Dit is onontbeerlijk in de winter.
Aan beide zijden van de weg tracht men afleidingsgrachten te voorzien waarin het water van de weg opgevangen wordt.
Deze grachten moeten steeds goed onderhouden blijven.


De pomp:

Wanneer geen pomphuis aan de boerenwoning is aangebouwd, staat de pomp gewoonlijk bij de huisgevel onder een klein afdakje (lessenaarsdakje). Het toestel verschilt echter van streek tot streek, dit houdt verbandt met het gemakkelijk of moeilijk te bereiken water.
In Oost-Vlaanderen, ten Noordwesten van Gent, bemerken we het veelvuldig gebruik van het kleine steekpompje, uit "pomphout" gemaakt; een eiken stam, goed afgerond en doorboord, wordt tot een pompbuis van ongeveer 50-60 cm bewerkt.
In het Waasland, Brabant en West-Vlaanderen gebruikt men de armpomp.
Deze is groter dan de steekpomp, en voorzien van een hefboom (arm).


Vervolgens is daar nog de karakteristieke steenput, met kettingrol.
Een emmer wordt aan een ketting bevestigd, en door een rol op en neer gelaten.
Meestal zijn deze waterputten door een tentdakje afgedekt of soms geheel afgesloten. De z.g. putrol met ketting kan ook aan de voorgevel zijn aangebouwd. Dergelijke waterputten met stenen kuip, zijn in de heuvelachtige gebieden van Vlaanderen nog veel in gebruik geweest.
Voornamelijk in de heidestreek van het Kempenland werd de oeroude schommelpers nog lang in ere gehouden.
Deze bestaat uit drie delen: de gemetselde kuip (putkuip, putkeef of kevie), waarvan de borstwering uitmaakt; vervolgens loodrecht geplaatste paal (stok of putligger), voorzien van een gaffel en een daaraan bevestigde wip (zwiksie,zwemmer), met ketting en haak.
Het verspreidingsgebied van de schommelpers is eertijds buitengewoon groot geweest. Oude documenten tonen aan, dat dit toestel vroeger ook in Westelijk Vlaanderen in gebruik was
.Toch moest het vroeger over geheel Noorwestelijk Europa verspreid geweest zijn.