Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland

 

Vroeger had men meer aandacht voor molens dan voor boerderijen maar welk dorp heeft er nog een molen kunnen bewaren ?
We kunnen zeggen dat de meeste molens uit het dorpsleven verdwenen zijn. Met de oude boerenhuizen is het nog niet zo ver, maar het gaat toch ook snel bergafwaarts zeker als men zomaar polderdorpen van de kaart veegt.
Wanneer men meer aandacht besteedt aan deze bouwkunde kan men vaststellen hoe aantrekkelijk en waardevol deze zijn.
En je mag gerust geloven dat er grootste scheppingen bij zijn.
In 't Waasland zijn er nog echt schone bewoningen, vol geur en kleur van hun omgeving en ontbloeid aan een eenvoudige en diep gewortelde beschaving.
Zij zijn eerbiedwaardig oud en 't zijn de laatste.
Prof. A. De Groodt

Uitzicht der hoeven in het Land van Waas:

De boerderijen in het Land van Waas zijn echte pareltjes van eenvoud en schoonheid. Hier vormt de fijne kleurenschakering van de witgekalkte muren, met zwartgeteerde plint, groene of donkerrode luiken, het enige sieraad.
Alleen de voordeur vertoont soms zeer typische karaktertrekken. Bij de ene zijn grijze of rode randstenen gemetseld, bij de andere is het eenvoudig een zwaar blokkozijn met geprofileerde bovendorpel en insnijding van het jaartal, een schelpmotief of ander snijwerk, waarin zich telkens een bepaalde stijlperiode weerspiegelt.
Aan de voorkant van het huis is meestal de boomgaard.
Een smalle kronkelende weg, die van een voordeur door de graszoden loopt, verbindt het bedrijf met de openbare weg. Boomgaard en gebouwen worden door een levendige en goed onderhouden doornhaag samengebundeld.
Een waterput, met een pomp gemaakt uit een uitgeholde boomstam die soms beschermd wordt door een afdak, brengt in de voorhof het decoratieve element. De hoeves liggen in het Land van Waas aan weerszijden van grillig slingerende wegen verspreid.
Ze gelijken meer op kleine landhuizen dan op boerenhoven.

Wat is te onderzoeken:


Met onderstaande lijst is aangetoond dat de boerderij een boeiend fenomeen is en het onderzoeken waard, en heteen zeer bijzondere leef- en werkgemeenschap is.
Van al wat de mens uitricht, is het boerenbedrijf het meest met de natuur verbonden. Het is daarom zorgwekkend voor de toekomst dat de boerenstand angstwekkend wordt uitgedund.
Oriëntatie
De richting van de voorgevel t.o.v. de zonnestand is na te gaan.
Dat is vooral van belang voor boerenhuizen die volkomen vrijliggen in het landschap, niet gebonden aan een weg.
Bijvoorbeeld is oriëntatie zuid of zuidoost ?
Richting t.o.v. de weg. Wat is de oorzaak als het huis niet met de voorgevel naar de weg is gericht ?
Het is al voorgekomen in de Kempen dat de achterzijde naar de weg is gericht omdat dan de voorgevel de zonkant had.
Aanlegvorm Uit hoeveel gedeelten bestaat de boerderij en hoe liggen de gebouwen t.o.v. elkaar ?
Waar ligt het bakhuis en waar het wagenhuis ?
Het bakhuis ligt vaak aan de weg, het wagenhuis (in het Veurnse-Houtland) buiten de ringgracht.
Hoe liggen woonhuis en schuur t.o.v. elkander ?
Bouwmaterialen Hout en leem, baksteen, natuursteen, stro, riet of leien en men zal ook de herkomst van deze materialen trachten te achterhalen.
Plattegronden Als het kan: alles opmeten, schetsen en foto's maken.

Namen van de ruimten:

De vertrekken van het huis benoemen en de ruimten van de schuur optekenen.
De opstand met de dakstoel opnemen. De namen van de balken beschrijven en dit voor de verschillende gebouwen.
Dakvormen. Optekenen van de soort dakvorm.
Techniek van de dakbedekking. Dakbedekking bestuderen , zeker ook de dakvorst
Naam van het dekstro. Er zijn verschillende technieken van dekken met stro, zowel wat de richting van de aren betreft (naar boven of naar beneden) als het binden. Alsook de manier van vastspijkeren van de strolatten (ronde kant naar boven of naar onder). Waarmee wordt het stro gebonden ? Informatie over het strodekkers-gereedschap.
Vorm en techniek van de dakvorst. Welke planten erop ? Waarom?
Wandtechniek lemen wand. Waarmee wordt er gevlochten: roeden (welk hout ?), gekloofde spanen ?
Toebereiding van de leem: voor de wanden, voor de dorsvloer. Namen van de onderdelen van de wand en van het werk zelf (vitselen, bewerpen enz.)
Houten toognagels. Namen sluitstek, pin enz., waarmee het balkwerk wordt opgesloten. De vorm ervan kan verschillen naargelang het eiken- of grenenhoutentimmer betreft.
Wijze van lassen van de gordingen.
De voordeur. Versiering, inschriften, wijze van sluiten; de magische afweer (offergaven onder de drempel).
Muurankers. Versieringen aan de uiteinden en jaarcijfer ?
Slotplaten, oude sleutels en klinken.
Metselaarstekens in de buitenmuren.
Inschriften en versiering. Dit op balkzool, balksleutel of balksloef, haardbalk, schuurbalken.
De haard. Vorm, namen, versiering, haardgerief, plaatsen aan de haard. Het stooksel: naam, herkomst.
Kelder. Plaats, gewelf, diepte, verdediging van het venster. Ruimte die de kelder vervangt (spinde).
Meubelen. Welke zijn kenschetsend? Hun traditionele plaats in het huis. Zijn er in de omgeving bijzondere meubelvormen ontstaan, bijv. de stoelen? Naam van die stoelen? Ingebouwde kasten.
Watervoorziening. Open put: ligging, naam, schepinrichting, putkuip. Pomp: plaats, naam.
Bakhuis. Plaats, vorm (plaats van de oven), alaam, namen van ovengewelf en mond.
Wanneer en wat werd er gebakken ? Welk ander gebruik ?
Dorsvloer. Naam en techniek hoe de dorsvloer werd gemaakt en wat werd er in de leem gedaan; ( oude pot ingegraven ?).
Naam van de wand naast de dorsvloer. Dorsgereedschappen: naam, geschiedenis (vb van eerste dorsmolen). Wan en wanmolen: naam, techniek.
Stal. Ligging (naast woonkeuken zoals in de Kempen of afzonderlijk), naam van de voorstal, van de staken waaraan de koeien zijn gebonden; naam en vormen van de "halsband" van het vee. Heiligdom in de stal ? Potstal ? Naam van de mestschop. Stalvoeding: hoe en wat ? Plaats van de mesthoop.
Richtmei op nieuw huis. Nog gebruikelijk ? Gebruiken errond ? Idem rond het betrekken van een nieuw huis of boerderij Inbranden. Gebruiken bij verhuizen vroeger en nu.
Bijzondere bijgebouwen. Wagenhuis, duiventoren, paardenmolen of roskot.
Gewas rodom het huis. Welke soort haag , bloemen, fruitbomen. Geknipte sierstruiken. En de vlier ? Oude fruitbomen (hoogstam) ?
Huisversiering. Prenten, schouwkleed, gordijnen, zandtekeningen.
Gegevens over het bedrijf. Grootte, gewassen, vee, trekdieren, landbouwgereedschappen: voertuigen, ploegvorm, egvorm, graaf- en dorsgereedschappen, oogstgerei, enz. Gereedschap voor vlasbewerking.
Karnen. Methode, namen. Volksgeloof daarmee in verband.
Oogstgebruiken. Wat is gebeurd met de laatste oogstkar, nadat de laatste aardappel is gerooid,
na het slijten van het vlas ?
Convent. Omschrijving van de slaapplaats van de knechten.

Houtsoorten:
In de Middeleeuwen tot de 18de eeuw gebruikt men bij voorkeur eik voor het maken van houten gebouwen.
In sommige gebieden werd ook olm of abeel gebruikt. Later werd ook dennenhout gebruikt.
Eik is voor het bouwen de beste houtsoort omdat deze kort na het vellen goed bewerkbaar is en nadien zeer hard wordt.
Het hout heeft ook een goede trekkracht en de verwering van het houtoppervlak versterkt de duurzaamheid. Olm is een hoge ruwe boom die tweemaal zo snel groeit als eik en die goed bewerkbaar is.
Dit hout werd vooral in Zuid-West-Vlaanderen gebruikt in vakwerkconstructies voor balklagen, gordingen en planken.
Olmenhout is echter goed voer voor houtworm.
Dennenhout werd vooral in de 18de eeuw en de 19de eeuw voor constructies en schrijnwerkerij gebruikt door van het tekort aan eikenhout.
Het kwam vooral van Wallonië.

De dorsvloer:
Vóór de maai- en dorsmachines hun intrede deden op onze hoeven, beschikte elke boer over een afzonderlijke ruimte waar het stro met de vlegel gedorst werd.
Een boer die over meerdere dorsvloeren beschikte steeg sterk in aanzien en werd daarom "een meneer met dorsvloeren" genoemd.
De dorsvloer liigt gewoonlijk in de schuur naast de bergruimte voor het stro.
In grote schuren waren er twee tassen: een voor het ongedorste en een voor het gedorste stro.
Het behoeft weinig uitleg dat die dorsvloer een belangrijke functie had en heel wat kwaliteiten diende te bezitten: zij mocht niet te hard zijn (anders werd het graan geplet en brak heel vaak de vlegel), ook niet te zacht (anders kreeg men het koren onvoldoende gedorst) en bovendien moest zij enigszins veerkrachtig zijn.
Het vervaardigen van zo'n dorsvloer was bijgevolg een delicate taak.
Gewoonlijk was dat een werk voor de boer zelf of eventueel zijn personeel.
Op de plaats waar de dorsvloer aangelegd diende te worden verwijderde men eerst de aarde. Op een natte bodem werden dan stenen geplaatst, liefst kasseistenen. Daarover streek de "vloerder" dan klei, dat alles werd dan aangestampt met een stamper, die heel vaak de bookhamer was, het instrument waarmee men ook het vlas bootte. Geregeld besprenkelen de "vloerders" de klei met water. Als het geheel een dikte van 15 à 20 cm had, werd de vloer ten slotte gerold met de zware landrol). Om "het springen" van de vloer (door het dorsen of het vorstweer) te voorkomen, werd de klei met ossenbloed vermengd. Op zo'n stevige veerkrachtige vloer konden onze boeren dan gedurende de wintermaanden hun koren dorsen.
Als zij met z'n tweeën of z'n drieën dorsten, gebeurde dat heel ritmisch.
Dat geklop was van op grote afstand te horen en men sprak dan van de tweeslag of de drieslag.
Nu is het dorsen met de vlegel een grote zeldzaamheid geworden.
Hier en daar dorst een landbouwer nog wel eens een twintigtal schoven met de vlegel.
Dat stro is nl. veel gaver dan het met de machine gedorst stro en wordt dan ook bij voorkeur gebruikt om een opper te dekken (vandaar de naam dekstro).

Over stalknechten:
De verblijfplaatsen voor de stalknechten was gewoonlijk naast de paardenstal, en werd het "convent" of "covent" geheten.
Destijds werden hier de stalknechten van 20 uur s'avonds tot 5 uur s'morgens opgesloten. Zo was hij waker en werd hij ook zelf bewaakt.
Het spreekt vanzelf dat er in deze tijd geen sprake meer kan zijn van deze vorm van tewerkstelling.
Door de uitwasemingen van de nabijgelegen paardenstal werd het soms zo ondragelijk in deze verblijfplaats dat de stalknechten letterlijk verplicht waren uit het hok uit te breken.
In sommige boerderijen zijn deze conventen nog aanwezig, op de deuren kerfden ze hun namen dikwijls door verveling.
Uit "Ons Heem" iets over boerderijen.