Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland


Polderstreek:





Algemeen voor Belgie ligt de polderstreek onmiddelijk achter de duinen met een breedte van 10-15 km, en doorloopt gans West Vlaanderen en zich verder in Zeeland, het noorden van Oost Vlaanderen en langs beide oevers van de Schelde tot in de omstreken van Dendermonde uitstrekt.
Voor ons meer van belang is de polderstreek gelegen in het noordoosten van het Land van Waas. Het omvat de parochies Doel, Kallo, Kieldrecht, Meerdonk, Verrebroek en delen van Beveren-Waas, De Klinge, Melsele, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Vrasene en Zwijndrecht. Daarnaast vinden we langs de Durme en de Schelde nog een smalle strook rivierpolders (meersen).


De grond:
Deze is samengesteld uit, grijze, zwartachtige klei, zeer aaneenklevend, zeer moeilijk om te bewerken en die na de winter of na de regen langdurig water ophoudt. Bijgevolg droogt de grond langzaam uit zo dat de grondbewerkingen maar in de late lente kunnen beginnen, en moeilijk of onmogelijk worden wanneer de eerste herfstregens vallen.


De periode van grondbewerkingen gedurende de lente en de herfst zijn bijgevolg ingekort. Aangezien het bewerken van de zware kleigrond reeds moeilijker en trager vooruitgaat, moest de landbouwer vroeger over meer trekdieren en heden over meer machines beschikken om de grondbewerking tijdig te kunnen eindigen.
Algemeen worden de beploegingen in de poldergronden altijd voor de winter, en de andere bewerkingen na de winter uitgevoerd.
De laag polderklei heeft een dikte van 30-40 cm tot 2-3 m dikte. Zij is kalkachtig door de aanwezigheid van verbrijzelde zeeschelpen, doch houdt maar weinig ijzer in. Dit is de oorzaak waarom de kareelstenen uit deze klei vervaardigd, een gele og grijze kleur hebben, i.p.v. de rode kleur van de stenen met ijzerlijke leem vervaardigd.


De teelten:
De poldergrond is een van de vruchtbaarste landbouwgronden en geschikt voor bijna al de voornaamst teelten: tarwe, gerst, haver, paardebonen, suikerbieten, weiden, klavers, lucerne, vlas, aardappelen, enz.


 

Zandstreek:
Hier moeten we een onderscheid maken tussen de lemig-zand- en zandleemzone en de zandzone.
-Lemig-zand- en zandleemzone:
Dit gebied omvat de parochies Bazel, Burcht, Elversele, Haasdonk, Kruibeke, Nieuwkerken-Waas, Rupelmonde, Sint-Niklaas, Sint-Pauwels, Steendorp, Temse, Tielrode en delen van Belsele, Beveren-Waas, Daknam, De Klinge, Eksaarde, Kemzeke, Lokeren, Melsele, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Stekene, Vrasene, Waasmunster en Zwijndrecht.


-Zandzone:
Deze zone maakt deel uit van een zandgebied dat veel groter is dan de Wase regio, namelijk zandig Binnen-Vlaanderen dat zich uitstrekt over de arrondissementen Gent, Dendermonde, Eeklo en Brugge. In de zandzone van het Waasland merken we stuifzandgebieden en dekzandgebieden. Tot deze zone behoort de parochie Sinaai en delen van Belsele, Daknam, Eksaarde, Kemzeke, Lokeren, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Stekene en Waasmunster.
De opbrengsten op goede poldergronden bedroegen 1/5 meer dan op zand- en zandleemgrond en dit met veel minder mest. De poldergrond bestaat uit een vruchtbare laag leemgrond, die bijna overal op turf rust. De turf ligt dunner ten zuiden dan ten noorden. In de vallei van de Durme en de Schelde vindt men doorgaans dezelfde samenstelling; de turflaag heeft soms een dikte van 2 - 3 m. Men weet dat vroeger de turf heel ijverig werd uitgebaat. Men moet er wel rekening mee houden met wat de eigenschappen van de poldergrond betreft hier te maken hebben met een grote verscheidenheid.


De grond:
Deze is samengesteld uit oorspronkelijk arme droge zandgronden, die langzaam verbeterd zijn door het aanhoudend toedienen van meststoffen: stalmest, groen mesten, straat- en grachtslijk en allerlei dierlijke en plantenafval; ook door de welverzorgde en intensieve kulturen sedert eeuwen uitgevoerd.
Daar de grond zeer doordringbaar voor lucht en water is, verteren en verdwijnen de organische bestanddelen vand emest zeer snel; anderzijds worden de scheikundige meststoffen door het opslorpingsvermogen van de grond weinig opgehouden. Hier moeten dus kleinere hoeveelheden mest toegediend worden, doch de bemesting moeten herhaardelijk vernieuwd worden.
Het gebeurt dikwijls dat de bovenste zandlaag maar weing dikte heeft en op een kleilaag berust. Deze kleilaag houdt het water op en er vormt zich alduseen ondiepe waterkom, waar het merendeel van de waterputten in de streek onstaan zijn en die geen al te zuiver water gaven.

Schets van de ontwikkeling der Wase Polder.
Over het onstaan en de ontwikkeling van onze polders blijven nog te veel verkeerde opvattingen heersen.
Het hedendaagse vlakke uitzicht van dit laag gebied verleidt ons gemakkelijk tot het besluit dat heel de streek geleidelijk gewonnen werd op het terugtrekkende water en van het hoogland uit, stuk voor stuk naar het Noorden toe, werd ingedijkt. Wel behoorde deze streek tot een vloedgebied uit voorhistorische tijden en voorzeker hebben in de loop der eeuwen meerdere inbraken en vloeden deze gronden verstoord. Toch is maar eerst tijdens de laatste tien eeuwen onder invloed van verschillende factoren, de hedendaagse toestand tot ontwikkeling gekomen. De verscheidene perioden van deze ontwikkeling willen wij nu, in enkele brede lijnen schetsen.
Als Wase polders aanzien wij het landschapsdeel gelegen tussen de Schelde en het gedeelte van de baan Antwerpen-Brugge van Zwijndrecht tot Stekene. Wij moeten er tevens op wijzen dat het poldergebied geen vreedzame geleidelijke ontwikkeling doormaakt als het hoogland, maar zich kenmerkt door een gebroken ontwikkeling, met opeenvolgende nieuwe toestanden en totaal andere landschapsbeelden.

1. Het groeien van de "wase":
Sinds eeuwen voor onze tijdrekening was de zee uit onze gewesten weggetrokken en was het algemeen profiel van het landschap gevormd.
Alhoewel de grond hier en daar nog door latere inbraken en vloeden werd verstoord, schijnt dit grondgebied geen totale omwoeling in onze tijdrekening te hebben gekend. Voor de VIIe eeuw schijnen evenmin de bewoners merkelijke veranderingen te hebben aangebracht.
Voor deze periode volstaat dan het landschap te beschrijven dat eens onze polders zal worden. Heel het Waasland is een hellend vlak dat naar het Noord-Oosten verglijdt in een betrekkelijk regelmatige glooiïng tot aan het Waase gedeelte van de baan Antwerpen-Brugge.
Deze baan ligt op een oude duinketen en verbindt de dorpen welke op de hoogste punten van deze rand waren onstaan. Deze duinketen vormt de oever van het oude vloedgebied en blijft nog afgetekend met overnamen als Reepstraat (St.Gillis), Repeland (Melsele), Reepscote en Reepdorp (Beveren). Verder naar het Noorden lag nog een kleine duinketen van Klinge naar Kieldrecht toe en hier en daar lag nog een brok duin als te Kallo of als de lagere smalle strook van de Donk (Meerdonk-Verrebroek).
Doch eens de grote duinketen over, was de helling gebroken en kwam men op eens in een merkelijk lager gebied, in een onmetelijk grote kom, de oude zeeboezem. Nu was deze vlakte de grote van de Wase heuvel werd opgevangen en in deze laagte zocht het water dan verder een trage weg naar de Schelde; toen nog een brede doch trage stroom met heel weinig tij, welke heel ver langs de Oosterschelde de zee moest bereiken.
Dit gebied was dan ook dooraderd van talrijke rivieren welke in de grote delta's de Schelde zochten (o.a. de Verre en De Kille). In het Westelijk gedeelte vormden zich in de diepten grote meren waarin veenlagen rijpen terwijl op de landen dichter bij de Schelde en de riviermondingen gelegen tijdens de hoge waterstanden bezinksel werd afgezet. Aldus zal in het westelijk deel de bodem door inklinking van de veenlagen veeleer dalen en werden grote moeren gevormd, terwijl langs de Scheldeoevers de bodem veeleer zal rijzen en grote schorren werden gerijpt.
De zandige hoogten waren overdekt met bossen, waaronder vooral het grote Koningswoud dient vermeld, at heel het Noord-Westen van het Waasland bestreek (Vrasene, Nieuwkerken, St-Niklaas, Kemseke, St-Gillis, De Klinge en Kieldrecht). Doch eveneens de kleine heuvels van het laaggebied waren met bossen bedekt als het Loo op de Donkheuvel gelegen en het bos van Kallo. Daarnaast hadden wij nog een weelderige groei van schaarhout met berken en elzen afgewisseld met schrale zandige vlakten: de "wilderden" en de "woestijnen". Zo groeiden honderde jaren de wase: het zompig en woest gebied. Eerst rond de XIe eeuw ontwaart men hier enig teken van leven. Kieldrecht en Kallo zijn vissersdorpen, doch hun bewoners weten bij zomertijd de onmetelijke schorren van Harnesse (Doel), Ketenisse en Aandorp te benutten voor hun vee.
De oeverplaatsen Zwijndrecht, Melsele, Beveren en Vrasene beginnen zich te ontwikkelen als dorpen langs de grote heirweg, sinds burchttorens ze tegen invallen uit het noorden beveiligen en de graven van Vlaanderen veel belangstelling tonen voor dit Wase mark- of grensgebied.
Deze dorpen breiden hun kouters en bouwlanden uit door het uitroeien van bossen en dringen verder het laagland in op zoek naar veeweiden.

2. Winnende land.
Vanaf de XIIe eeuw groeit hier de bedrijvigheid. Het Koningswoud is het grote jachtreservaat van de graven van Vlaanderen, waarin regelmatig grootse jachtpartijen plaats hebben en waarvoor ambtenaren worden aangesteld als de forestier (Voorhout-Kemzeke), de jager (Lijkvelde-St-Pauwels), de valkeniers (Hulsterloo-Kieldrecht) en talrijke leenmannen met jachtdienst. De burchtheren langs de heirweg worden gravemannen en ridders en stichten grote heerlijkheden. Zij beijveren zich om hun gebied te doen opbrengen en maken van deze streek de best georganiseerde van Vlaanderen. Zo werd de heer van Beveren meester over het gebied van Beveren, Verrebroek, Kallo, Kieldrecht en Doel. Gans dat ontzaglijk woeste gebied behoorde de graven van Vlaanderen en met hun schenkingen wonnen zij zich krijgers en ontginners. Daarbij lokt dit eenzaam en wilde bosgebied talrijke vrome kluizenaars naar zich toe en zo komt Sint Gerwin naar St-Gillis (Kluize), Boudewijn van Boekel naar Bodelo (Klein Sinaai) en andere naar Hulsterloo (Kieldrecht) en naar Salegem (Vrasene). Geholpen door de graven van Vlaanderen groeien hier een viertal communiteiten van kluizenaars. Naarmate hun aantal toeneemt krijgen zij nieuwe stukken bos, woestijne of moer toegewezen, zodat elke groep in zijn behoeften kan voorzien door een flink deel van deze wilderte te ontginnen.
Het bruikbaar maken van broeklanden en het verder doordringen in de zompige vlakte stelde als eerste eis het aanleggen van wegen. Ook deze groeien naarmate men bewoonde of bewerkte plaatsen met elkaar in verbinding wil stellen of nieuwe plaatsen bereiken. Een weg trekken op het hoog land is niets, maar doorheen het laag land was het een hele onderneming. Men moest in de lage gebieden de weg ophopen en vastleggen met boomstammen en rijsthout en bruggen slaan over waterlopen. Deze opgehoogde wegen waren de eerste dijken. Zo hebben we een oude weg van Vrasene naar Hulsterloo, waar reeds een bedevaartsoord was ontstaan. Van wanneer hij in de laagte komt heet hij Meerlantse dijk tot op de donkheuvel en naar Verrebroek toe, op de heuvelrug en tot aan het Loo is het de Looweg en wanneer hij weer verder de laagte over moet om Hulsterloo en Kieldrecht te bereiken is hij weer dijk geworden en heet de Zwarte Dijk. De wegen lopen langsheen de rivieren en deze opgehoogde tragels worden ook stilaan dijken. Deze dijken betekenen nog geen verweer tegen vloeden.
De XIIIe eeuw brengt nog verandering. Op bevel van de graaf van Vlaanderen worden de kluizenarijen opgeheven en de kluizenaars moeten overgaan tot een gevestigde kloosterorde. Zo wordt Bodelo een abdij van Cisterciënzers, Salegem en Hulsterloo gaan over naar de Nobertijnen van Drongen en Kluize naar de St-Pietersabdij van Gent. Deze abdijen krijgen nieuwe gebieden tot geschenk met daarbij de tienden van heel de lage streek terwijl de bisschop van Doornik hen eveneens de kerken en de zielzorg der bewoners afstaat. De drie kloosters in de polderstreek zijn nu maar bijhuizen meer van grote abdijen, tellen dus weinig kloosterlingen en behoren tot orden welke meer naar studie dan naar handenarbeid gericht waren. Zij vervullen een grote rol in de ontginning zonder zelf ontginners te zijn. Zij behouden het algemeen beheer en de leiding voor het regelen van de waterlopen en het bouwen der sluizen en terwijl de heren nog met lijfeigenen werken geven zij hun land in pacht aan vrije boeren, die nu zelf het grootste voordeel uit de ontginning halen. De grote heren maken stilaan eveneens hun lijfeigenen vrij en over heel het poldergebied breiden de dynastieën van de hereboeren zich immer verder uit. De polders beginnen de voorraadschuur van Vlaanderen te worden en ook de rijkdom van abdijen en heren. Over heel het gebied groeit een warnet van wegen en dijken. De vissers van Kallo en Kieldrecht zijn koene vaarders geworden en voeren hun haring en kabeljauw tot in Mechelen. In de XIVe eeuw en XVe eeuw zal dit alles nog verder uitgebouwd worden en nieuwe takken van bedrijvigheid verschijnen. Ook de moerassige kuilen zitten vol rijkdom en naast de grote moeren liggen honderden kleine verspreid waaruit turf wordt gestoken om brandstof te leveren voor de haarden van de hoeven, abdijen, kastelen en steden, zodat iedere rijke heer of abdij er op aanstuurt een moer onder zijn bezittingen te tellen. Rond de moeren worden kleine kanalen gegraven om de turf met schepen uit het waterland te voeren. Er groeit een nieuw waternet van gegraven waterwegen, van kleine vlootleden tot grote leden, welke dan weer langs vaarten en kanalen de turf tot Gent zullen voeren (kanaal van Stekene en Moervaart). Andere moeren worden in verbinding gesteld met de grotere rivieren en voeren hun turf langs de Schelde weg. De moeruitbating wordt de grootste bron van welvaart voor deze streek. Wanneer men in het begin van de XVe eeuw de zeedijken van het Noordergebied doet herstellen leggen de grafelijke octrooibrieven uitdrukkelijk dat daarmede de beveiliging van de binnenlandse moeren beoogd werd. Op de randen van de moeren breidt de bewoning zich uit. Daar komen delvers en vletters (schuitvaarders), eigenaars en kooplieden, ambtenaren en toezichters. Aan de moeren van Casuweele en Tervente groeien nieuwe gehuchten. De oude bewoning van het Loo aan de donk (gen. de Loowegers op de Looweg) verschuift naar de rand van de Turfbanken en de Rodemoer en vormt een nieuw gehucht dat Meerdonk zal heten. Eveneens aan de donk en aan het broek van de rivier de Verre ligt Verrebroek en dit wordt nu een belangrijk centrum van turfuitvoer wordt. In 1374 worden er 450 schipvrachten turf geladen. Wat later telt het 1400 inwoners, dat is evenveel als nu en toen bijna zoveel als Beveren. In het begin van de XVe eeuw begint men er een toren op te trekken voor een grootse kerk, de machtigste toren van het Waasland. We moeten nog aanstippen dat door het uitdelven van de moer, men aan de grond een ondoordringbare tirflaag had ontnomen, waardoor de mogelijkheid voor latere vruchtbaarheid werd verhoogd maar ook de grond beroofd werd van zijn meest vast bestanddeel. Daar bleven maar enkele schrale vlekken meer over: nog enkele stukken heide en de wilderten en woestijnen. Daarbuiten werd de hele laagvlakte door de Wase boer veroverd.

3. Kerende tij:
Wij zegden reeds dat de Westerschelde of Honte een heel kalme rivier was, welke haar trage waters, in een ondiepe bedding over een brede laagvlakte voortstuwde en toeliet dorpen aan haar oever op te richten (Kallo). Had de zee zich in vroegere tijden teruggetrokken, het tij zou keren. De Honte was van de zee gescheiden door een zanddrempel waardoor Walcheren nog met de Vlaamse Kust was verbonden.
Doch stuk voor stuk wordt de zanddrempel door de zee afgewreten en vanaf de XIIe eeuw dringt het zeewater steeds overvloediger in de Honte, stilaan wordt de Westerschelde een getijstroom en ziet haar waterpeil rijzen. Men moet ook rekening houden met het feit dat de zeespiegel regelmatig verhoogt, ongeveer 1 mm per jaar, wat op eeuwen heel wat betekent. Langs de talrijke rivieren dringt het water uit de Honte steeds dieper het land binnen, en het net van de moerleden brengt het nog dieper. Daarbij wordt de uitlozing van het bovenwater fel bemoeilijkt. De laagvlakte is werkelijk bedreigd en de strijd tegen het water moet opgenomen worden. In het begin kan men het onheil nog verhelpen met de dijkwegen op te hogen en hier en daar dammen langs de rivieren op te werpen. Het zijn de eerste indijkingen. Wanneer echter in de XIVe eeuw de eilanden tussen Walcheren en Vlaanderen verzwolgen worden dreigt, hier voortdurend gevaar. Het zeewater dringt door tot bij Antwerpen, de Honte wordt een machtige Westerschelde en van getijstroom vloedstroom. Watervloeden en overstromingen volgen elkaar snel op en worden steeds rampspoediger (1321, 1334, 1363, 1367, 1390). Het water dringt door tot aan de voet van de duinenketen. Het oude gerooide bosgebied van Kluize-St-Gillis, Salegem( Vrasene) en heel het moergebied lijden van het water, en de broeklanden van Kallo, Beveren en Melsele geraken overstroomd door de St-Elisabethsvloed van 1404. De Wase boer dacht niet aan wijken, integendeel. De XVe eeuw zou de eeuw der indijkingen worden. De onmiddellijke omgeving van Kieldrecht was reeds vroeger voldoende beveiligd, doch in 1406 werden de dijken van de ouden polder verstevigd. In 1414 worden de schorren van Melsele, Beveren en Kallo ingedijkt. Van 1431 tot 1448 heel het gebied tussen Kieldrecht, Verrebroek en Kallo. Dan gaat het verder met de St-Annapolder (1514) naar het noorden en in 1531 worden de dijken van 1421 aan Casuweele en Tervente verstevigd zodat enkel Doel door een brede rivier van het vasteland afgesneden als een eiland blijft liggen. In 1567 wordt de reusachtige zeedijk van Doel als een machtige dam tegen de vloeden opgeworpen.
Met deze indijkingen van de XVe en XVIe eeuw onstonden de echte polders, de afgedamde vlakten met vruchtbaar slib. De oudste, meer binnenlandse dijken waren op de oude opgetrokken en waren niet zo vast ineengesloten, doch de nieuwe zeedijken in de tragische strijd tegen geweldige vloeden opgebouwd waren machtige kunstwerken. Een buitengewone springvloed, welke zich tot in Gent liet voelen, de allerheiligenvloed van 1570, zal dit werk van eeuwen vernietigen. Door het doorbreken van de dijken bij Saaftinge, lopen al de lage landen van het Waasland onder water, van aan de Schelde tot aan Vrasene. De lichte binnendijken en de moerdijken worden weggeslagen en de vloed zal zich vooral een weg banen door de moeren. Hier en daar bleven nog dijken en hogergelegen landen gespaard, als de polder van Doel wiens dijken het niet begeven hadden.
Men poogde onmiddellijk de ramp te herstellen, doch wat de vloed gespaard, zou in de volgende jaren de oorlog vernietigen. Tijdens de Nederlandse oorlog van 1575 tot 1609 worden, vooral in de strijd om Antwerpen, door de legers al de nog rechtstaande scheldedijken één voor één doorgestoken en legervloten als deze van Alexander Farnése zullen door de polders varen, gans de polderstreek was een zee geworden en haar bevolking was naar het hoogland uitgeweken. Kieldrecht zal gedurende 100 jaar voor het grootste deel onbewoonbaar blijven en 250 jaar zullen verlopen vooraleer de ramp zal hersteld zijn. Vanaf de eerste tekens van de vrede aan de kim rijzen, wordt het herstel krachtdadig aangevat. De jaren vloed hadden alle binnendijken weggevaagd en doorheen het overstroomde gebied nieuwe watergeulen getrokken, welke in vele vertakkingen middendoor de poldervlakte liepen en langs het Saaftingergat in het noorden en langs het gat van de Perel te Kallo in het oosten, met de schelde in verbinding stonden. Daar de grote zeedijken langs de Schelde het best stand hebben gehouden en de oeverpolders als jongst bedijkte het hoogst lagen, zal men door een verder naar mekaar opschuiven van de dijken en polders van buiten naar binnen, het water tot een smallere geul verdringen en het van de stroom afdammen. In 1614 worden de dijken van Doel hersteld, men legt er een haven aan en sticht een dorp. Melselepolder en Beverenpolder worden herwonnen in 1619 met het opbouwen van een zware dijk naar het noorden. In het westen vertrekt men van de oever van het hoogland en achtereenvolgens herdijkt men de polders van St-Anna, Ketenisse en Kallo waardoor de uitmonding in de Schelde bij de Perel gesloten wordt.
Dan volgt de uitdrijving van het water naar het noorden toe met de indijkingen van Vredepolder of Konings Kieldrechtpolder in 1653,
Oud Arenbergpolder in 1688.
Zo was heel het laaggebied terug herwonnen en sterven de laatste overblijfselen van de vloeden in de Grote Guile of St-Jacobsgat en in de Guile van Kieldrecht. Doch nu is heel de laagvlakte polderland omdat de overstroming in die lange tijdruimten een dikke laag bezinksel heeft achtergelaten en ook de moeren, de heiden, de wilderten en woestinen tot vruchtbaar land heeft omgeschapen.
De Wase polders zoals wij ze nu kennen, hebben hun uitzicht en vruchtbaarheid in de XVIIe eeuw gekregen en hebben sindsdien geen merkelijke veranderingen meer ondergaan.
J. De Wilde
Natuurlijk is nu met de opkomende industrie dit beeld opnieuw niet meer geldig.

Het begrip "polder"

In de lage landen, die langsheen zee en Schelde werden ingedijkt om bewonnen en bewoond te worden en die men met de gemeenschappelijke naam van "polderstreek" of "poldergebied"aanduidt, zijn er welbepaalde eenheden die elk een "polder" uitmaken. d.w.z. een door waterscheidingen begrensd gebied waarin de waterstand wordt beheerst.
Hemel en grondwater dienen afgevoerd (geloosd) en zee-,nof Scheldewater dient geweerd.
Hierbij komen kunstwerken te pas,door mensenhanden gebouwd: dijken en sluizen of moderne bemalingen.
De alluviale gronden, veroverd op de zee, noemt men zeepolders. Dit is het geval voor de polders op beide Scheldeoevers.
Langs rivieren spreekt men van wateringen of meersen.


Wase Polders, vrucht van gestage arbeid van generaties, moeten nu landschappelijk en sociaal patroon prijsgeven
(publicatie ‘Het Vrije Waasland’ 11 en 18 mei 1973 – Rijkhard Van Gerven)


In bodem verankerd
Het eerste, het bizonderste, het waardevolste dat ons bij een blik in het verleden tegemoettreedt, ons diep in de ogen kijkt, ons inpalmt en meesleurt naar vergeten en vergrijsde verten in het verleden, dat eerste is de grond.  De grond waarop we leven, met zijn lijnen van wegen en straten en grachten en waterlopen en andere dingen, alle zo oud als de straat.  De grond ook die ons laat leven door de krachten van de natuur, die hij voor ons opspaart en uitleent aan onze eigen arbeidskracht om deze te laten uitdeinen tot nimmer rustende arbeidslust en tot steeds verder en dieper zoekende genialiteit.  De grond waarmee we samenwerken en de grond die ons leven richting en inhoud geeft.  De grond waarin geankerd liggen alle banden die ons onderling binden: familiaal, sociaal, ekonomisch en zelfs geestelijk.  Van de uit-bundige kermisviering af, over het rijke verenigingsleven heen tot de ingetogenheid van onze processietochten en bedevaarten: ’t is altijd de grond als vertrekpunt, als bezielende kracht, als gezichtseinder.
Zoek nergens in Vlaanderen of in ’t hele land naar een streek waar de grond zoveel betekent voor de mens als in de polders: u vindt er geen.  En in het hele polder-gebied staan de Wase polders in dit opzicht vooraan.  Want niet alleen behoren onze polders tot de beste van Vlaanderen en ver daarbuiten, maar ze hebben ook de geschiedenis van ons land over zich voelen gaan.  Ik zeg meer: ze hebben dikwijls de geschiedenis van dit land helpen schrijven.  Steeds is dat gebeurd samen met de polderboer, en met de miseriemensen van achter de dijk.  Kan men zich grotere gebondenheid in tijd en ruimte, en zelfs gebondenheid door de primaire elementen van de natuur: het water, waartegen men streed, en het vuur, waarvoor men alleen kon vluchten… Vandaag komt er de lucht bij waarvoor we bidden.
Er is een tijd geweest – dat moet wel niet gezegd worden – dat voor de mens de wereld niet verder ging dan zijn familie, zijn stam, zijn sibbe, door hem dagelijks aangevoeld en die zijn leven vulde en zijn zorgen bepaalde.  Daarbij sloot dan on-middellijk aan de kleine omgeving, voor hem bereikbaar met de geringe mogelijk-heden waarover hij beschikte, en die voor hem zijn vaderland was dat niet verder ging dan de moedergrond waarop hij leefde.  Die primitieve toestand heeft eeuwen geduurd en is met korte en soms ook langere sprongen geëvolueerd naar wat we thans beleven, naar het maatschappijbeeld dat de dag van heden de wereld bestrijkt.  Maar, alles bijeen genomen heeft ons huidig bestaanspatroon nog zo’n erg hoge leeftijd niet bereikt.
De honderd jaar ie door de Vereniging van de Polders van het Land van Waas nu herdacht worden, vormen maar een stipje in de historie van deze polderstreek.  Maar ze liggen in een periode die we kunnen noemen: een hoge bloeiperiode van de polders  Ze sluiten ie hoge bloei af met een fiere blik op het verleden maar ook met een grote vraag rond de aantredende nieuwe werkelijkheid.

Waterland
Van de twintig eeuwen van onze tijdrekening is er ronduit gerekend tijdens de eerste twee derden of omtrent 1300 jaar, van de boer, volgens onze gangbare begrippen, weinig of een spraak in deze streek.  Wat wij nu poldergebied noemen was door her-haald inbreken en terugtrekken van de zee een “waterland”, een waddenzee vol slikken en schorren met neerslag van zand en klei en veenvorming in de gebieden die meer buiten het bereik van de zee lagen.  In de Romeinse tijd – die we allen wel voldoende kunnen situeren – was de toestand: droog  land, moerassen, stromend of stilstaand dieper water, alles zo wat door mekaar.  Herhaalde overstromingen wijzig-den het uitzicht van de streek, maar ook de stuktuur van de grond meermaals.  De vroegste woonkernen zijn in de tijd en in de ruimte te situeren in de vroege middel-eeuwen en op de bewoonbare droge plaatsen.  Tussen de bewoonde plaatsen werden langs de hoogstgelegen punten de eerste verbindingswegen ‘gelopen’ dat wil zeggen dat door herhaald gebruik op een intuïtieve wijze het eerste tracé van die wegen tot stand kwam.  Om die wegen – we zouden eerder moeten spreken van paden – droog te houden bij uitzonderlijke watervloeden, werden ze verhoogd tot dammen die terzelfdertijd sommige gebieden vrij hielden ook van gewoon hoogwater.  Die gebieden kregen zo een schorreuitzicht en een schorrestruktuur, met ziltige grond, waarop de natuurlijke grazingen tot stand kwamen.  Die schorren werden stilaan de schapenweiden.
Als we naar de mens zoeken in deze streek dan zullen we hem vinden op de eilanden in dit water- en schorregebied: te Kallo, waar men nu nog spreekt van ‘Hoogkallo’; te Kieldrecht om de Kouter; te Meerdonk: de naam ‘donk’ duidt weer op een hogergelegen gebied en te Hoog-Verrebroek.  Hij houdt zich bezig met wat de natuur hem biedt: de visvangst.  Het is bij die kleine en verspreide gemeenschap van Friese vissers dat de H. Amandus in de tweede helft van de zevende eeuw aan-landde.  De levensbeschrijving van Amadus, daterend van jaren na zijn dood in 676, verhaalt deze gebeurtenis.  Na de stroom te zijn opgevaren, <<vond hij eindelijk een klein eiland bij de Schelde, welk eiland heette Chanelaus.  Hij arbeidde er enige dagen met zijn broeders.  Zijn prediking werd versmaad.  Maar gedurende twee jaren sloeg een vreselijke esel op de weerspannige mensen neer.  Huizen vielen in, velden werden omgezet in woestenijen, zelfs vici en castra werden vernield.  Er bleef in deze streek bijna niemand meer over van degenen die de man Gods hadden versmaad.>>
Er is veel getwist over deze naam Chanelaus, door de latere levensbeschrijving van Amandus Calolau genoemd.  Tot op heden kunnen wij nog altijd en om verschillende redenen met de meeste zekerheid opteren voor Kallo.  In deze korte regelen in het levensverhaal van Amandus kunnen we getuigenis vinden van een overstroming, een nieuwe inbraak van de zee in deze gebieden.  De schildering van de straf Gods is het gewone patroon van de latere overstromingsrampen.

Vissers en schippers
De geschiedenis van onze Scheldevissers langs de linkeroever is nog te schrijven.  Wij vinden ze terug op het einde van de 13e en het begin van de 14e eeuw, ter gelegenheid van de betwisting tussen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant over het eigendomsrecht op de Schelde.  Wij vinden er de namen van Hendrik Leschvisch die met zeven man van Saaftingen te Antwerpen werden gerad-braakt en onthoofd wegens feiten die zij op de stroom hadden bedreven.  Op een ‘prove’ of tegensprekelijk onderzoek over de rechten op de Schelde, te Rupelmonde gehouden, vinden we in de getuigenissen namen als Leschvisch, de vader van de man die te Antwerpen was onthoofd, Wouter Donker, Jan Donker, Michiel Haelwater, Jan Bogaert, Willem Ghilouch, Simon Leder, Jan Reinoutszoon, Zegher van den Laren en Pieter de Loese, allen van Kallo.  Het feitenmateriaal dat deze en andere getuigen aanbrengen tekent ons het leven van die Scheldevissers en schippers: zij leefden aan het water, maar ze leefden ook van ht water, niet alleen van de vis die ze naar de markten van Antwerpen en Mechelen brachten, maar ook zo nu en dan van piraterij op de Schelde.  De namen van deze mensen, honkvast gebonden aan hun streek, vinden we terug in de moerbrieven van Claus Vlijt, de kastelein van het kasteel van Beveren aan de rand van het vroeger waterland, dat in de XIVe eeuw tot volle expansie komt.

Turfindustrie
Turf, de middeleeuwse kostbare brandstof, werd voorzeker reeds vroeg uit de ondergrond van de polders gedolven.  Maar in de XIVe eeuw komt het hier met Verrebroek als centrum, tot de vroegste industriële aktiviteit langs de linkeroever. Lodewijk van Male, de graaf van Vlaanderen, bracht het aloude leen, het land van Beveren in het midden van die eeuw onder zijn onmiddellijk gezag.  De moer-ontginning, een van zijn bizonderste inkomsten, werd opgedreven.  En bij dit industrieel bedrijf werd de ganse bevolking betrokken.  Zeker de visser die op de moerleden, de kanalen die het hele landschap doorsneden, de kostbare brandstof naar de overslagplaats van Tervente aan de Schelde bracht en verder ook op de moerschuiten die langs Schelde en binnenwateren Antwerpen, Gent, Brugge, Mechelen en ook plaatsen in Zeeland en in Brabant aandeden, waar de turf uiteindelijk terecht kwam in de kloosters, abdijen, burchten en herenwoningen, de ‘stenen’ van de patriciërs.

Herders, schapen, wol
Het indijken van schorren, waarvan het begin bij ons niet juist te situeren is, reduceerde in sterke mate het waterelement in onze streek, dus ook het levens-element van de visser.  In de rijpende schorren was de herder met zijn schapen reeds verschenen.  Maar eens deze schorren volledig rijp waren voor indijking, verruimde de schapenkweek die nu ook braakland, vogelweiden, dijkhellingen, grachtkanten als weiplaatsen toegewezen kreeg.  Wol van schapen, die geweid hadden op zilte grond had een hogere waarde.  Daar waar de eerste indijkingen waren aangevat door de abdijen, vooral Sint-Pieters en die van Drongen in deze streek, waren het nu, bij de herindijkingen gedurende de XIVe eeuw, vooral Brugse patriciërs uit de omgeving van het hof van de graaf, en Gentse wolmagnaten, die als leggers van de nieuwe polders optraden en hun namen schreven in de goedenis-brieven waarbij het onroerend bezit van menige grote en beruchte familie enorme afmetingen aannam.
Men dijkte in, Scheldewaarts, zodat onze oudste polders het verst van de stroom verwijderd liggen.  Dicht onder de oever bleven nog lang de schorren, het bij-zonderste weidegebied van schapen en vee.  Hun oudste benamingen wijzen erop: Hernesse (d.i. de nesse, de landtong waarop de schapenkudden graasden), Ketenesse (dat afkomstig is van Cattelnesse, de landtong waarop het vee liep) (Cattel, Cateile, Cateel = vee).  Met dat al wordt de visserij op de achtergrond gedreven, de visser neemt een gemengd bestaan aan: hij wordt ook herder maar eerder nog wordt hij schipper.  Die verandering in de levenswijze verloopt geleidelijk in de familie: waar de vader visser was, werd de zoon visser en herder of visser en schipper, en de kleinzoon houdt het bij het bedrijf van de toekomst.  Zo is het schematisch te zien.  Maar alleszins vinden we de namen van onze vissers, die als getuigen optraden bij de Scheldeproven, later steeds terug in de streek.  De toren van Verrebroek, het belfort van de polders, is het stenen  monument gegroeid in die tijd, gegroeid ook door die tijd.  De turf, gedolven in de oude polders van Aendorp, de streek tussen Vrasene, Kieldrecht en Kallo, was de brandstof die geleverd werd aan de patriciërshuizen, de burchten en kastelen en kloosters van Vlaanderen en Brabant.  De opbrengst van deze moerontginning was een van de bijzonderste in-komsten van de graaf van Vlaanderen, heer van Beveren.  Honderden werkten als moersteker, als delver aan moerleden, als timmerman of smidsgast aan bruggen en sluizen, als schipper op de moervlotten in de polder of op de moerschuiten op de Schelde en de rivieren van Vlaanderen en Brabant.  Om niet te spreken van de moermeester, die boek hield en de gelden in ontvangst nam en rekening aflegde voor de kastelein op het kasteel van Beveren, ie op zijn beurt zijn jaarlijks rekening moest overbrengen voor de graaf en zijn rekenkamer.  In de XIVe eeuw groeiden onze polderdorpen uit tot meer bezette woonkernen.  Verrebroek stond in 1408 geboekt met 219 hofsteden op 1033 bunder schatbaar land.  Doel kreeg een woon-kern dichtbij Tervente, waar de moer werd overgeslagen in de rivierschuiten en waar de tol werd ontvangen.  Kallo had zijn rol als militaire wachtpost aan de Schelde te vervullen.  En naar Kieldrecht trok de vrome pelgrim Hulsterlowaarts, de streek waar ook Reinaert de Vos eens thuis was, een paar honderd jaren vroeger… De moerontginning, de vroegste industrie in onze polders, heeft haar bloeiperiode en ook verval gekend.  Er was vooreerst de uitputting van de turflaag.  De ontginning had een grens die gebonden was aan een dieptemaximum.  Maar er was vooral het feit dat de grote overstromingen de moergronden teisterden en onbrikbaar maakten.  Op sociaal vlak bracht dit een achteruitgang mee, een ontvolking, die de graaf van Vlaanderen trachtte te keer te gaan door hernieuwde indijkingsoktrooien en zekere vrijdommen geschonken aan de nieuwe bewoners van de nieuwe dijkagien.  Wij kennen het oktrooi gegeven door Lodewijk van Male in 1353 om “te doen dikene tlant va Kieldrecht ende van Caloe ende datter toebehoert dwelk in tiden verleden ute ghegan es.”  Nu mogen we niet vergeten dat bij ’t verlenen van indijkingsoktrooien ook het belang van de graaf en zijn schatkist werd gediend.  De stipulaties van elk oktrooi vrijwaren dus ook deze belangen en de voorwaarden, aan het oktrooi verbonden, staan in funktie ten eerste van de grafelijke belangen, ten tweede van die van de leggers, d.w.z. van de personen die hun kapitaal investeren in het droog-leggen van de polder.  En dat zal door de eeuwen heen zo blijven: het belang van de heer, dat later kan verwoord worden als het openbaar belang, en het partikulier belang worden telkens afgewogen en in termen vastgelegd, die meer en meer een juistere omschrijving krijgen.
Op het indijkingsoktrooi van 1354 volgde een grafelijk dekreet in 1371, deze welbepaalde vrijdommen verleende aan hen die deze nieuwverworven gronden zouden kunnen bewonen.  Het is opmerkelijk hoe Lodewijk van Male de polderstreek van het Land van Beveren heeft begunstigd.  Dit is te verklaren door het feit dat hij dit aloude Land van Beveren, zeer machtig en zeer rijk, in het midden van de XIVe eeuw onder zijn onmiddellijk gezag had gebracht en als een rijke bron van inkomsten wilde bevoordeligen.
De uitgemoerde grond liet een wildernis na die stilaan een andere bestemming kreeg: deze van grasland en van labeurgrond.  En dat was dan het terrein van de boer.
Het is best mogelijk dat in dit nieuwland in de eerste jaren het boeren verliep naar het aloude drieslagstelsel.  Dat bestond hierin: een jaar bezaaiing met broodgraan, een wintervrucht op winterland gezaaid.  Het volgende jaar zomergraan op zomerland bestemd voor het werkende vee en de rijpaarden, ook voor het bierbrouwen en bij mislukking van de wintertarwe, ook voor menselijke konsumptie. Het derde jaar bleef het land braak liggen, in rust en kreeg het de bewerking nodig tot het verkruimelen van de grond en de bemesting.  Als eenmaal de nieuwe poldergrond genoegzaam onder de hand was geweest van de polderboer, en wanneer door de aanroei van de veestapel er ook meer stalmest beschikbaar kwam, kon de boer overschakelen op de jaarlijkse vruchtafwisseling.
Na de visser, de herder en na de herder, de boer: zo verliep het maatschappelijk patroon in onze polders.  Herhaalde overstromingen konden remmend optreden en soms wel een verregaande ontreddering meebrengen.  Maar steeds was daar weer de kapitaalkrachtige grondbezitter en de noeste koppige boer om het land aan de zee te ontrukken.  Eigenlijk is dat de steeds weerkerende historie van de streek.

Rampen
De XVe eeuw was voor onze polders een rampeeuw.  De Sinte-Elisabethsvloed van 1404 maakte de polders van het Land van Beveren drijvende, rijdende of zoals men het ook wel uitdrukte: “ze lagen voor eb en vloed”.  Dat heeft jaren geduurd.  In 1412 werden de schorren, gelegen voor Melsele, Zwijndrecht, Kallo, Beveren, Verrebroek en Vrasene, te koop gesteld.  De uiteindelijke koop ging eerst door in 1414 en een oktrooi tot bedijking werd gegeven door Jan zonder Vrees.  Zo werd herwonnen wat men nu noemt Melselepolder, Beverenpolder en Vrasenepolder.  In het oktrooi wordt gesproken van Melselebroek, dat begint aan de Blokkersdijkweert.  Calveringersweert, van het Kleen Schoor of Oostbroek (d.i. ten oosten van het kasteel, tot aan de Melseledijk) en van het Westbroek (d.i. ten westen van het kasteel tot aan de Meerlantse dijk).
Over de juiste grenzen van dit gebied zouden bij latere indijkingen in de XVIIe eeuw betwisting en moeilijkheden ontstaan.
De naam Calveringersweert is na de XIVe eeuw uit onze polderregisters verdwenen.  Wij konden onder dit poldergedeelte verstaan als wat later en nu nog in Melselepolder de Grote Hoek en het Hof ten Damme genoemd wordt.  Toen behoorde dit onder Kallo; later zou Melsele dat onder zijn gebied nemen en bij de laatste grenswijzing is het grotendeels weer opnieuw Kallo geworden.  “L’histoire se répète…”
Toen men aan dat zuidelijk gedeelte van ons poldergebied de indijking aanvatte, bleef het uitgestrekte noordelijk gedeelte nog drijven.  Met één woord werd dit gebied Aendorp genoemd.  De opvolger van Jan zonder Vrees, de grote Boergondiër Filips de Goede, zou dit een twintigtal jaren later – ook weer om geld bijeen te krijgen – verkopen.  De koopbrief vermeldt het op ondubbelzinnige wijze: “De grote lasten die wij gehad hebben en die wij heden nog te dragen hebben op menigvuldige en verscheidene manieren voor het onderhoud, zowel van wapenknechten als van paarden, die wij moesten houden verleden jaar en ook nog dit jaar in verschillende delen van Frankrijk voor het welzijn en de eer van de koning, van ons zelf en van al onze welwillende geallieerden en onderdanen, alsook voor de weerstand die wij gewapenderhand begonnen zijn tegen die van Luik die verleden jaar het vuur ontstaken in ons graafschap Namen waar zij veel kwaad en ongemakken stichtten – zo hebben wij nood aan grote geldsommen om ons in onze zaken te helpen, welke sommen wij geenszins gehad hadden noch konden vinden tenzij dan door de verkoop of tepandstelling van een deel van ons erfgebied, op de minst schadelijke wijze mogelijk.”
Deze koop heeft in de poldergeschiedenis de pittoreske naam gekregen van Slyccoop van Haendorp en hij werd zeer nauwkeurig omschreven wat de uitgestrektheid betreft.  In grote trekken kunnen wij zeggen dat dit neerkomt op de huidige polders van Kallo, Sint-Anna (zonder Ketenisse), het zuidelijke deel van Doel en Kieldrechtpolder met Oud-Arenberg.  En weer eens, zoals bij de vorige herindijking, komen namen naar voor van de meest markante families van Vlaanderen en van Zeeland.
De slikkoop van Aendorp werd in gedeelten ingedijkt en zo kwamen ook nieuwe namen van polders tot stand: Sinte-Anna, Sint-Niklaas, Sint-Antonis.  Eén polder kreeg de oude naam behouden: Aendorp.  En verder sprak men van Kieldrecht, en Verrebroek.  De indijkingen lagen namelijk ver uiteen wat de tijd betreft.  Sinte-Annepolder werd eerst in 1516  verkaveld en de generale dijksluiting had het volgend jaar plaats, wat aanleiding gaf tot het plaatsen van een gebrandschilderd raam in de kerk van Kallo.
Over deze slikkoop en de polders die er uit voortkwamen is zeer veel te vertellen, en het kan op des te meer gefundeerde wijze gebeuren daar de oude polderkaarten er nog een beeld van geven.  Dat zijn dan ook de oudste polderkaarten van ons poldergebied aan de linkeroever en er waren er van te zien in de tentoonstelling te Beveren.
Dat hele gebied, zuid en noord, dat van 1414 en van 1413, zou herhaalde waterrampen kennenin dezelfde XIVe eeuw nog en in de eerste helft van de XVIe eeuw.  Maar steeds herbegon men, met veel geld en onvermoeibare mankracht.  In 1567 werd zelfs het schorregebied voor Doel ingeduikt maar dan kon men spreken van Antwerpen en Brabantse maecennassen en van een meer degelijke aanpak bij de dijkaanleg.  Bekende landmeters uit Brabant en Zeeland kwamen er bij te pas en men liet zich bijstaan door niemand minder dan de grote dijkenbouwer Vierlingh uit Nederland, wiens raad men echter niet altijd volgde.

Tachtigjarige oorlog
Weinige jaren nadien, in de tachtiger jaren, zou de grote ramp over de hele streek komen: de strategische onderwaterzetting va Saftingen tot Burcht en van aan de Schelde tot het hoogland van Waas.  Wij noemen dit de Farnese-overstroming omdat ze aangericht werd in het raam van het beleg van Antwerpen door de Spanjaard Farnese.  Eens te meer vullen onze  polders, en de Schelde die er voor ligt, de bladzijden van onze nationale geschiedenis.  Het beleg en de inname van Antwerpen, lopende van 1583 tot 1585, het meest merkwaardige wapenfeit uit de Tachtigjarige Oorlog en het volstrekt dieptepunt uit de Vlaamse geschiedenis en ook een van de meest markante en in de militaire akademies bestudeerde stadsbelegeringen, kon aangevat worden en tot een goed einde gebracht dank zij de polders van het Land van Beveren en de onzeglijke offers die door onze polderbevolking werden gedragen.  Wij noemen buiten de overstroming, die jaren zou duren, de schipbrug van Farnese te Kallo, de bouw van de forten Sinte-Marie, de Perel, Liefkenshoek, de schansen om zo te zeggen op elk stukske dijk dat er in dat onmetelijk watergebied overbleef, de Parma-Vaart en alles wat dit meebracht aan miserie door de soldateska van de Spaanse legerbenden.  Jarenlang zou Kieldrecht kwijnen en nog langere jaren zou er omzeggens van leven in Kallo geen spraak meer zijn.
De overgave van Antwerpen werd getekend op het kasteel van Beveren, dat ook een stuk uitmaakt van onze poldergeschiedenis.  Het wapengeweld ging naar andere streken.  Het watergebied en de armoede bleven achter, wachtten.  En wachten moesten ook doen de boeren die naar het hoogland van Waas en verder getrokken waren met hun vee en hun schamel bezit, met de herinnering aan hun polder en de hoop eens opnieuw weer polderboer te kunnen worden.
Dat zou lang aanlopen.  Eerst in 1614 werd een eerste stuk waterland ingedijkt: Sinte-Anna, Ketenis en Doel.  De andere volgden kort daarop: te beginnen aan het hoogland: 1615 Rode Moer, Salegem, Extensie en Sint-Gillis; 1616 Turfbanken en Hoog-Verrebroek; 1617 kreeg Kieldrecht een indijkingsoktrooi  maar de inpoldering zou nog lang moeten wachten: 1619 Beveren en Vrasene.
Toen was ’t gedaan met het wapenbestand, de oorlog begon opnieuw.  Kallo en Kieldrecht bleven liggen, omdat er tussen de twee vijandelijkekampen een waterlinie moest blijven bestaan.  Eerst na de Munsterse Vrede in 1648 werd ook Sinte-Anna en Kieldrecht ingedijkt.  Sinte-Anna verloor zijn naam en werd Kallopolder.  Die polders hadden 70 jaar gedreven!
De nieuwe indijkingen die na de Farnese-overstroming tot stand kwamen, hebben een gans ander beeld gegeven aan ons poldergebied.  De nieuwe dijken volgden een ander tracé.  Oude polders werden opgenomen in de nieuwe Kallopolder.  Hij omvatte b.v. het vroeger Sint-Niklaas en Aendorp en een deel van Sint-Anthonis-zuid.  Op het einde van de eeuw kwam in 1688 Arenberg tot stand, Oud-Arenberg.  Het Nieuw-Arenberg zou eerst honderd jaar later komen.
Kort gezegd: het polderlandschap zoals wij het tot nog toe hebben gekend is gemaakt in de XVIIe eeuw.   En in dit nieuw polderlandschap is de nieuwe boer gekomen.  De zonen en kleinzonen van hen die uitgeweken waren, en ook nieuwelingen.
Maar net zoals hun voorgangers zouden zij als polderboer de vette jaren, de boerenrijkdom, zien afwisselen met jaren van kommer: het land langs de linkeroever van de Schelde heeft de geschiedenis van die Schelde meegemaakt en dus ook de geschiedenis van Antwerpen.  Waar in de anderes strekene de oorlog alleen vuur brengt was het hier elke maal water en vuur zodat de meest tipische naam die aan ons poldergebied kan gegeven worden is: de streek van water en vuur.
Wij kunnen over deze streek niet spreken zonder in hetinnering te brengen de namen van de leggers, van hen die hun kapitaal investeerden in de droogmaking van de polders: daar zijn dan namen te noemen als Borluut, Vijt beiden ook verbonden aan de schepping van Het Lam Gods; van der Banck, Triest, Colard le febre, Loscaert, du Buisson, Nemery – burgers van Gent – of van Brugge of van Dordrecht, zoals gestipuleerd in de oktrooien – de Baenst, van Paepenbrouch, Cachiopin de la Redo, van Bourgogne, van Heften, van Dorpe, van Couwerven, van Steenwinckel, Yala, van Pottelsberge, van Reynegem en zo veel meer.

Wettelijke schikkingen

De afstammelingen van de leggers waren de geërfden.  Zij waren de ingelanden, grote of kleine.  Door gezamenlijk optreden maakten ze de polder droog en hielden hem later droog.  Stilaan groeide ook de noodzaak tot overleg en overeenkomst met andere polders.  Het suatierecht (afwateringsrecht) was een van de eerste aspekten dat moest geregeld worden en aanleiding gaf tot betaling van suatiegeld.  Later zouden nog andere moeilijkheden – vooral geldelijke – aanleiding geven tot gemeen overleg en gemeen optreden.  Vooral bij het vrijwaren van de vele rechten die de prinsen in hun oktrooien hadden gegeven aan de ingelanden van de polders, wat vooral het geval was in oorlostijd en bij het hernieuwen van het oktrooi.  Maar het optreden van de prinselijke macht als ordenend element in het polderbeheer dagtekent eerst van 1531 toen Karel V reglementeerde dat de achterliggende polders ook zouden bijdragen in de onkosten van de polders in eerste lijn.  Verder zou het aanlopen tot in 1580, toen Filips II het eerste centraal organisme oprichtte: het ambt van superintendant en dijkgraaf-generaal van Brabant en Vlaanderen.  Maar in dit alles leunde men aan en steunde men steeds op het aloude dijkrecht dat als ongeschreven wet steeds was gevolgd en in de oktrooien was vernoemd.
Zo evolueerde men naar een centralisatie en een bestendig toezicht.  Eerst in de XIXe eeuw kwam men naar een sterk uitgesproken centralisatie inzake polderbestuur.  De drie dekreten van Napoleon kwamen aan de basis van een reglementering die zowel geografisch als administratief ook in de volgende aren zou fungern: het dekreet van 11 januari 1811 over het beheer en de onderhoudswerken; het dekreet van 16 december 1811 over de politie: het dekreet van 28 december 1811 over het bestuur van de polders van het departement van de Schelde.
Het zou te uitgebreid zijn hier verder die centraliserende rang te volgen.  Wel mag aangestipt worden dat meer polders reeds vóór Napoleon zelf tot een gewestelijke centralisering kwamen die ze zelf in handen hielden: de Generaliteit van de Wase Polders.  Dat was zowat de voorloper van wat, 100 jaar geleden werd: de Vereniging der Polders van het Land van Waas, wiens stichting wij heden herdenken.

Nieuw sociaal patroon
De sterkste ingreep beleven wij de dag van vandaag.  Door de noodzaak van de uitgroei van de industriële en portuaire aktiviteit van de haven van Anterpen worden onze polders aangesproken.  Er komt in deze streek voor de vierde maal een omwerping van  het sociaal patroon.  Het groot grondbezit met een sterke familiale traditie moet het ruimen voor het groot kapitaal dat vreemd is.  Eerst was hier de visser, die verdreven werd door de herder die op zijn beurt gevolgd werd door de boer.  Nu zal de boer verdwijnen voor de werkman, de techniek.  Dat alles wordt sterk aangevoeld, vooral door de boerende bevolking, getroffen i haar hele levensbestaan: familiaal, sociaal, ekonomisch, financieel en ook moreel.  De omschakeling van visser, herder, moersteker ging geleidelijk over generaties.
De boer gaat heen maar waar hij ook belandt: hij blijft de polderboer van aan de linkeroever van de Schelde, uit het Land van Waas, uit het Land van Beveren, van Kallo, Verrebroeck, Doel, Kieldrecht.  Met hem gaat mee het hele patroon van zijn polderboerenbestaan, zijn polderboerensysteem, zijn polderboerenvernuft, zijn polderboerenkoppigheid tegenover de weerbarstigheid van de grond die hij elders vindt, kortom zijn hele polderboerenpersoonlijkheid en –mentaliteit, zijn fierheid, arbeidslust, kundigheid, zijn polderboerenbestaan.
De polderboer gaat heen maar blijft bestaan, zij het dan zlders…  Maar het landschap vergaat.  Wat vroeger terug kon opgehaald worden van onder de ziltige Scheldewateren en terug kon omgetoverd worden tot een nieuw bezit, een nieuwe rijkdom, wordt nu begraven onder zand en beton.  De schouwen en pilonen geven een nieuw beeld, van verre zichtbaar.  In de polderluchten walmt de industrierook.  Waar eens de ploeg van de boer ging zullen schepen varen en treinen rollen.
Nieuwe mensen, in een nieuw landschap.  Wat verdween wordt betreurd en met een zwaar hart ten grave gedragen.  De herinnering zal lang blijven.  God geven dat men zich bezinne rond al het nieuwe dat zich aandient en tot verdere uitbreiding wordt gebracht.  Het zal een diepgaande ingreep zijn, een lange evolutie, God geven dat men zich elke dag, elk uur bezinne.  Want nooit meer zal de poldergrond, die onze voorgeslachten sterk gebonden hield en ons ook sterk bindt, nooit meer zal die uit zijn graf kunnen herrijzen e opnieuw de oude rijkdom en de oude glorie brengen.  Wij aanvaarden, maar voor de derde maal: dat men zich bezinne elke dag, elk uur!