Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland


Polderstreek:


Scheldepolders ontstaan:

De stijgende zeespiegel, sinds het einde van de laatste ijstijd, zo’n 12000 jaar geleden, vulde de Noordzee en de riviermondingen met water.
Toen liep de Schelde nog recht naar het noorden in de Maas. De polders van Beveren bestonden uit een rijke veenvegetatie.
Geleidelijk steeg de zeespiegel meer en werd er meer land overspoeld. Het overspoelde land kreeg aan de kust te maken met sedimentatie van losse sedimenten afkomstig uit de Schelde.
Ondertussen veranderde de loop van de Schelde via de Oosterschelde en later via de Westerschelde.
Aangezien de monding van de Schelde dichter en dichter bij het Land van Waas kwam, begon men hier de invloed te voelen van de getijden en van het stijgende water. Om het land te beschermen tegen het stijgende water en de getijden legde de mens dijken aan (inpoldering).
Aanvankelijk waren dit lage walletjes die in de loop der jaren steeds hoger zijn geworden. Tot 1570 was het gebied een zeer vruchtbaar polderland, maar de Allerheiligenvloed in dat jaar zette een groot deel onder water.
In 1584 staken de Nederlandse soldaten (80-jarige oorlog tussen Nederland en Spanje) de dijken door (de Farnèse-overstroming).
Tengevolge hiervan werden praktisch alle dijken vernield en werd er een gans nieuw krekensysteem uitgeschuurd.

Algemeen voor Belgie ligt de polderstreek onmiddelijk achter de duinen met een breedte van 10-15 km, en doorloopt gans West Vlaanderen en zich verder in Zeeland, het noorden van Oost Vlaanderen en langs beide oevers van de Schelde tot in de omstreken van Dendermonde uitstrekt.
Voor ons meer van belang is de polderstreek gelegen in het noordoosten van het Land van Waas. Het omvat de parochies Doel, Kallo, Kieldrecht, Meerdonk, Verrebroek en delen van Beveren-Waas, De Klinge, Melsele, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Vrasene en Zwijndrecht. Daarnaast vinden we langs de Durme en de Schelde nog een smalle strook rivierpolders (meersen).



De grond:
Deze is samengesteld uit, grijze, zwartachtige klei, zeer aaneenklevend, zeer moeilijk om te bewerken en die na de winter of na de regen langdurig water ophoudt. Bijgevolg droogt de grond langzaam uit zo dat de grondbewerkingen maar in de late lente kunnen beginnen, en moeilijk of onmogelijk worden wanneer de eerste herfstregens vallen.


De periode van grondbewerkingen gedurende de lente en de herfst zijn bijgevolg ingekort. Aangezien het bewerken van de zware kleigrond reeds moeilijker en trager vooruitgaat, moest de landbouwer vroeger over meer trekdieren en heden over meer machines beschikken om de grondbewerking tijdig te kunnen eindigen.
Algemeen worden de beploegingen in de poldergronden altijd voor de winter, en de andere bewerkingen na de winter uitgevoerd.
De laag polderklei heeft een dikte van 30-40 cm tot 2-3 m dikte. Zij is kalkachtig door de aanwezigheid van verbrijzelde zeeschelpen, doch houdt maar weinig ijzer in. Dit is de oorzaak waarom de kareelstenen uit deze klei vervaardigd, een gele grijze kleur hebben, i.p.v. de rode kleur van de stenen met ijzerlijke leem vervaardigd.


De teelten:

De poldergrond is een van de vruchtbaarste landbouwgronden en geschikt voor bijna al de voornaamst teelten: tarwe, gerst, haver, paardebonen, suikerbieten, weiden, klavers, lucerne, vlas, aardappelen, enz.


 

Zandstreek:

Hier moeten we een onderscheid maken tussen de lemig-zand- en zandleemzone en de zandzone.
-Lemig-zand- en zandleemzone:
Dit gebied omvat de parochies Bazel, Burcht, Elversele, Haasdonk, Kruibeke, Nieuwkerken-Waas, Rupelmonde, Sint-Niklaas, Sint-Pauwels, Steendorp, Temse, Tielrode en delen van Belsele, Beveren-Waas, Daknam, De Klinge, Eksaarde, Kemzeke, Lokeren, Melsele, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Stekene, Vrasene, Waasmunster en Zwijndrecht.


-Zandzone:

Deze zone maakt deel uit van een zandgebied dat veel groter is dan de Wase regio, namelijk zandig Binnen-Vlaanderen dat zich uitstrekt over de arrondissementen Gent, Dendermonde, Eeklo en Brugge. In de zandzone van het Waasland merken we stuifzandgebieden en dekzandgebieden. Tot deze zone behoort de parochie Sinaai en delen van Belsele, Daknam, Eksaarde, Kemzeke, Lokeren, Moerbeke-Waas, Sint-Gillis-Waas, Stekene en Waasmunster.
De opbrengsten op goede poldergronden bedroegen 1/5 meer dan op zand- en zandleemgrond en dit met veel minder mest. De poldergrond bestaat uit een vruchtbare laag leemgrond, die bijna overal op turf rust. De turf ligt dunner ten zuiden dan ten noorden. In de vallei van de Durme en de Schelde vindt men doorgaans dezelfde samenstelling; de turflaag heeft soms een dikte van 2 - 3 m. Men weet dat vroeger de turf heel ijverig werd uitgebaat. Men moet er wel rekening mee houden met wat de eigenschappen van de poldergrond betreft hier te maken hebben met een grote verscheidenheid.


De grond:

Deze is samengesteld uit oorspronkelijk arme droge zandgronden, die langzaam verbeterd zijn door het aanhoudend toedienen van meststoffen: stalmest, groen mesten, straat- en grachtslijk en allerlei dierlijke en plantenafval; ook door de welverzorgde en intensieve kulturen sedert eeuwen uitgevoerd.
Daar de grond zeer doordringbaar voor lucht en water is, verteren en verdwijnen de organische bestanddelen vand emest zeer snel; anderzijds worden de scheikundige meststoffen door het opslorpingsvermogen van de grond weinig opgehouden. Hier moeten dus kleinere hoeveelheden mest toegediend worden, doch de bemesting moeten herhaardelijk vernieuwd worden.
Het gebeurt dikwijls dat de bovenste zandlaag maar weing dikte heeft en op een kleilaag berust. Deze kleilaag houdt het water op en er vormt zich alduseen ondiepe waterkom, waar het merendeel van de waterputten in de streek onstaan zijn en die geen al te zuiver water gaven.

Schets van de ontwikkeling der Wase Polder.

Over het onstaan en de ontwikkeling van onze polders blijven nog te veel verkeerde opvattingen heersen.
Het hedendaagse vlakke uitzicht van dit laag gebied verleidt ons gemakkelijk tot het besluit dat heel de streek geleidelijk gewonnen werd op het terugtrekkende water en van het hoogland uit, stuk voor stuk naar het Noorden toe, werd ingedijkt. Wel behoorde deze streek tot een vloedgebied uit voorhistorische tijden en voorzeker hebben in de loop der eeuwen meerdere inbraken en vloeden deze gronden verstoord. Toch is maar eerst tijdens de laatste tien eeuwen onder invloed van verschillende factoren, de hedendaagse toestand tot ontwikkeling gekomen. De verscheidene perioden van deze ontwikkeling willen wij nu, in enkele brede lijnen schetsen.
Als Wase polders aanzien wij het landschapsdeel gelegen tussen de Schelde en het gedeelte van de baan Antwerpen-Brugge van Zwijndrecht tot Stekene. Wij moeten er tevens op wijzen dat het poldergebied geen vreedzame geleidelijke ontwikkeling doormaakt als het hoogland, maar zich kenmerkt door een gebroken ontwikkeling, met opeenvolgende nieuwe toestanden en totaal andere landschapsbeelden.

1. Het groeien van de "wase":

Sinds eeuwen voor onze tijdrekening was de zee uit onze gewesten weggetrokken en was het algemeen profiel van het landschap gevormd.
Alhoewel de grond hier en daar nog door latere inbraken en vloeden werd verstoord, schijnt dit grondgebied geen totale omwoeling in onze tijdrekening te hebben gekend. Voor de VIIe eeuw schijnen evenmin de bewoners merkelijke veranderingen te hebben aangebracht.
Voor deze periode volstaat dan het landschap te beschrijven dat eens onze polders zal worden. Heel het Waasland is een hellend vlak dat naar het Noord-Oosten verglijdt in een betrekkelijk regelmatige glooiïng tot aan het Waase gedeelte van de baan Antwerpen-Brugge.
Deze baan ligt op een oude duinketen en verbindt de dorpen welke op de hoogste punten van deze rand waren onstaan. Deze duinketen vormt de oever van het oude vloedgebied en blijft nog afgetekend met overnamen als Reepstraat (St.Gillis), Repeland (Melsele), Reepscote en Reepdorp (Beveren). Verder naar het Noorden lag nog een kleine duinketen van Klinge naar Kieldrecht toe en hier en daar lag nog een brok duin als te Kallo of als de lagere smalle strook van de Donk (Meerdonk-Verrebroek).
Doch eens de grote duinketen over, was de helling gebroken en kwam men op eens in een merkelijk lager gebied, in een onmetelijk grote kom, de oude zeeboezem. Nu was deze vlakte de grote van de Wase heuvel werd opgevangen en in deze laagte zocht het water dan verder een trage weg naar de Schelde; toen nog een brede doch trage stroom met heel weinig tij, welke heel ver langs de Oosterschelde de zee moest bereiken.
Dit gebied was dan ook dooraderd van talrijke rivieren welke in de grote delta's de Schelde zochten (o.a. de Verre en De Kille). In het Westelijk gedeelte vormden zich in de diepten grote meren waarin veenlagen rijpen terwijl op de landen dichter bij de Schelde en de riviermondingen gelegen tijdens de hoge waterstanden bezinksel werd afgezet. Aldus zal in het westelijk deel de bodem door inklinking van de veenlagen veeleer dalen en werden grote moeren gevormd, terwijl langs de Scheldeoevers de bodem veeleer zal rijzen en grote schorren werden gerijpt.
De zandige hoogten waren overdekt met bossen, waaronder vooral het grote Koningswoud dient vermeld, at heel het Noord-Westen van het Waasland bestreek (Vrasene, Nieuwkerken, St-Niklaas, Kemseke, St-Gillis, De Klinge en Kieldrecht). Doch eveneens de kleine heuvels van het laaggebied waren met bossen bedekt als het Loo op de Donkheuvel gelegen en het bos van Kallo. Daarnaast hadden wij nog een weelderige groei van schaarhout met berken en elzen afgewisseld met schrale zandige vlakten: de "wilderden" en de "woestijnen". Zo groeiden honderde jaren de wase: het zompig en woest gebied. Eerst rond de XIe eeuw ontwaart men hier enig teken van leven. Kieldrecht en Kallo zijn vissersdorpen, doch hun bewoners weten bij zomertijd de onmetelijke schorren van Harnesse (Doel), Ketenisse en Aandorp te benutten voor hun vee.
De oeverplaatsen Zwijndrecht, Melsele, Beveren en Vrasene beginnen zich te ontwikkelen als dorpen langs de grote heirweg, sinds burchttorens ze tegen invallen uit het noorden beveiligen en de graven van Vlaanderen veel belangstelling tonen voor dit Wase mark- of grensgebied.
Deze dorpen breiden hun kouters en bouwlanden uit door het uitroeien van bossen en dringen verder het laagland in op zoek naar veeweiden.

2. Winnende land.

Vanaf de XIIe eeuw groeit hier de bedrijvigheid. Het Koningswoud is het grote jachtreservaat van de graven van Vlaanderen, waarin regelmatig grootse jachtpartijen plaats hebben en waarvoor ambtenaren worden aangesteld als de forestier (Voorhout-Kemzeke), de jager (Lijkvelde-St-Pauwels), de valkeniers (Hulsterloo-Kieldrecht) en talrijke leenmannen met jachtdienst. De burchtheren langs de heirweg worden gravemannen en ridders en stichten grote heerlijkheden. Zij beijveren zich om hun gebied te doen opbrengen en maken van deze streek de best georganiseerde van Vlaanderen. Zo werd de heer van Beveren meester over het gebied van Beveren, Verrebroek, Kallo, Kieldrecht en Doel. Gans dat ontzaglijk woeste gebied behoorde de graven van Vlaanderen en met hun schenkingen wonnen zij zich krijgers en ontginners. Daarbij lokt dit eenzaam en wilde bosgebied talrijke vrome kluizenaars naar zich toe en zo komt Sint Gerwin naar St-Gillis (Kluize), Boudewijn van Boekel naar Bodelo (Klein Sinaai) en andere naar Hulsterloo (Kieldrecht) en naar Salegem (Vrasene). Geholpen door de graven van Vlaanderen groeien hier een viertal communiteiten van kluizenaars. Naarmate hun aantal toeneemt krijgen zij nieuwe stukken bos, woestijne of moer toegewezen, zodat elke groep in zijn behoeften kan voorzien door een flink deel van deze wilderte te ontginnen.
Het bruikbaar maken van broeklanden en het verder doordringen in de zompige vlakte stelde als eerste eis het aanleggen van wegen. Ook deze groeien naarmate men bewoonde of bewerkte plaatsen met elkaar in verbinding wil stellen of nieuwe plaatsen bereiken. Een weg trekken op het hoog land is niets, maar doorheen het laag land was het een hele onderneming. Men moest in de lage gebieden de weg ophopen en vastleggen met boomstammen en rijsthout en bruggen slaan over waterlopen. Deze opgehoogde wegen waren de eerste dijken. Zo hebben we een oude weg van Vrasene naar Hulsterloo, waar reeds een bedevaartsoord was ontstaan. Van wanneer hij in de laagte komt heet hij Meerlantse dijk tot op de donkheuvel en naar Verrebroek toe, op de heuvelrug en tot aan het Loo is het de Looweg en wanneer hij weer verder de laagte over moet om Hulsterloo en Kieldrecht te bereiken is hij weer dijk geworden en heet de Zwarte Dijk. De wegen lopen langsheen de rivieren en deze opgehoogde tragels worden ook stilaan dijken. Deze dijken betekenen nog geen verweer tegen vloeden.
De XIIIe eeuw brengt nog verandering. Op bevel van de graaf van Vlaanderen worden de kluizenarijen opgeheven en de kluizenaars moeten overgaan tot een gevestigde kloosterorde. Zo wordt Bodelo een abdij van Cisterciënzers, Salegem en Hulsterloo gaan over naar de Nobertijnen van Drongen en Kluize naar de St-Pietersabdij van Gent. Deze abdijen krijgen nieuwe gebieden tot geschenk met daarbij de tienden van heel de lage streek terwijl de bisschop van Doornik hen eveneens de kerken en de zielzorg der bewoners afstaat. De drie kloosters in de polderstreek zijn nu maar bijhuizen meer van grote abdijen, tellen dus weinig kloosterlingen en behoren tot orden welke meer naar studie dan naar handenarbeid gericht waren. Zij vervullen een grote rol in de ontginning zonder zelf ontginners te zijn. Zij behouden het algemeen beheer en de leiding voor het regelen van de waterlopen en het bouwen der sluizen en terwijl de heren nog met lijfeigenen werken geven zij hun land in pacht aan vrije boeren, die nu zelf het grootste voordeel uit de ontginning halen. De grote heren maken stilaan eveneens hun lijfeigenen vrij en over heel het poldergebied breiden de dynastieën van de hereboeren zich immer verder uit. De polders beginnen de voorraadschuur van Vlaanderen te worden en ook de rijkdom van abdijen en heren. Over heel het gebied groeit een warnet van wegen en dijken. De vissers van Kallo en Kieldrecht zijn koene vaarders geworden en voeren hun haring en kabeljauw tot in Mechelen. In de XIVe eeuw en XVe eeuw zal dit alles nog verder uitgebouwd worden en nieuwe takken van bedrijvigheid verschijnen. Ook de moerassige kuilen zitten vol rijkdom en naast de grote moeren liggen honderden kleine verspreid waaruit turf wordt gestoken om brandstof te leveren voor de haarden van de hoeven, abdijen, kastelen en steden, zodat iedere rijke heer of abdij er op aanstuurt een moer onder zijn bezittingen te tellen. Rond de moeren worden kleine kanalen gegraven om de turf met schepen uit het waterland te voeren. Er groeit een nieuw waternet van gegraven waterwegen, van kleine vlootleden tot grote leden, welke dan weer langs vaarten en kanalen de turf tot Gent zullen voeren (kanaal van Stekene en Moervaart). Andere moeren worden in verbinding gesteld met de grotere rivieren en voeren hun turf langs de Schelde weg. De moeruitbating wordt de grootste bron van welvaart voor deze streek. Wanneer men in het begin van de XVe eeuw de zeedijken van het Noordergebied doet herstellen leggen de grafelijke octrooibrieven uitdrukkelijk dat daarmede de beveiliging van de binnenlandse moeren beoogd werd. Op de randen van de moeren breidt de bewoning zich uit. Daar komen delvers en vletters (schuitvaarders), eigenaars en kooplieden, ambtenaren en toezichters. Aan de moeren van Casuweele en Tervente groeien nieuwe gehuchten. De oude bewoning van het Loo aan de donk (gen. de Loowegers op de Looweg) verschuift naar de rand van de Turfbanken en de Rodemoer en vormt een nieuw gehucht dat Meerdonk zal heten. Eveneens aan de donk en aan het broek van de rivier de Verre ligt Verrebroek en dit wordt nu een belangrijk centrum van turfuitvoer wordt. In 1374 worden er 450 schipvrachten turf geladen. Wat later telt het 1400 inwoners, dat is evenveel als nu en toen bijna zoveel als Beveren. In het begin van de XVe eeuw begint men er een toren op te trekken voor een grootse kerk, de machtigste toren van het Waasland. We moeten nog aanstippen dat door het uitdelven van de moer, men aan de grond een ondoordringbare tirflaag had ontnomen, waardoor de mogelijkheid voor latere vruchtbaarheid werd verhoogd maar ook de grond beroofd werd van zijn meest vast bestanddeel. Daar bleven maar enkele schrale vlekken meer over: nog enkele stukken heide en de wilderten en woestijnen. Daarbuiten werd de hele laagvlakte door de Wase boer veroverd.

3. Kerende tij:

Wij zegden reeds dat de Westerschelde of Honte een heel kalme rivier was, welke haar trage waters, in een ondiepe bedding over een brede laagvlakte voortstuwde en toeliet dorpen aan haar oever op te richten (Kallo). Had de zee zich in vroegere tijden teruggetrokken, het tij zou keren. De Honte was van de zee gescheiden door een zanddrempel waardoor Walcheren nog met de Vlaamse Kust was verbonden.
Doch stuk voor stuk wordt de zanddrempel door de zee afgewreten en vanaf de XIIe eeuw dringt het zeewater steeds overvloediger in de Honte, stilaan wordt de Westerschelde een getijstroom en ziet haar waterpeil rijzen. Men moet ook rekening houden met het feit dat de zeespiegel regelmatig verhoogt, ongeveer 1 mm per jaar, wat op eeuwen heel wat betekent. Langs de talrijke rivieren dringt het water uit de Honte steeds dieper het land binnen, en het net van de moerleden brengt het nog dieper. Daarbij wordt de uitlozing van het bovenwater fel bemoeilijkt. De laagvlakte is werkelijk bedreigd en de strijd tegen het water moet opgenomen worden. In het begin kan men het onheil nog verhelpen met de dijkwegen op te hogen en hier en daar dammen langs de rivieren op te werpen. Het zijn de eerste indijkingen. Wanneer echter in de XIVe eeuw de eilanden tussen Walcheren en Vlaanderen verzwolgen worden dreigt, hier voortdurend gevaar. Het zeewater dringt door tot bij Antwerpen, de Honte wordt een machtige Westerschelde en van getijstroom vloedstroom. Watervloeden en overstromingen volgen elkaar snel op en worden steeds rampspoediger (1321, 1334, 1363, 1367, 1390). Het water dringt door tot aan de voet van de duinenketen. Het oude gerooide bosgebied van Kluize-St-Gillis, Salegem( Vrasene) en heel het moergebied lijden van het water, en de broeklanden van Kallo, Beveren en Melsele geraken overstroomd door de St-Elisabethsvloed van 1404. De Wase boer dacht niet aan wijken, integendeel. De XVe eeuw zou de eeuw der indijkingen worden. De onmiddellijke omgeving van Kieldrecht was reeds vroeger voldoende beveiligd, doch in 1406 werden de dijken van de ouden polder verstevigd. In 1414 worden de schorren van Melsele, Beveren en Kallo ingedijkt. Van 1431 tot 1448 heel het gebied tussen Kieldrecht, Verrebroek en Kallo. Dan gaat het verder met de St-Annapolder (1514) naar het noorden en in 1531 worden de dijken van 1421 aan Casuweele en Tervente verstevigd zodat enkel Doel door een brede rivier van het vasteland afgesneden als een eiland blijft liggen. In 1567 wordt de reusachtige zeedijk van Doel als een machtige dam tegen de vloeden opgeworpen.
Met deze indijkingen van de XVe en XVIe eeuw onstonden de echte polders, de afgedamde vlakten met vruchtbaar slib. De oudste, meer binnenlandse dijken waren op de oude opgetrokken en waren niet zo vast ineengesloten, doch de nieuwe zeedijken in de tragische strijd tegen geweldige vloeden opgebouwd waren machtige kunstwerken. Een buitengewone springvloed, welke zich tot in Gent liet voelen, de allerheiligenvloed van 1570, zal dit werk van eeuwen vernietigen. Door het doorbreken van de dijken bij Saaftinge, lopen al de lage landen van het Waasland onder water, van aan de Schelde tot aan Vrasene. De lichte binnendijken en de moerdijken worden weggeslagen en de vloed zal zich vooral een weg banen door de moeren. Hier en daar bleven nog dijken en hogergelegen landen gespaard, als de polder van Doel wiens dijken het niet begeven hadden.
Men poogde onmiddellijk de ramp te herstellen, doch wat de vloed gespaard, zou in de volgende jaren de oorlog vernietigen. Tijdens de Nederlandse oorlog van 1575 tot 1609 worden, vooral in de strijd om Antwerpen, door de legers al de nog rechtstaande scheldedijken één voor één doorgestoken en legervloten als deze van Alexander Farnése zullen door de polders varen, gans de polderstreek was een zee geworden en haar bevolking was naar het hoogland uitgeweken. Kieldrecht zal gedurende 100 jaar voor het grootste deel onbewoonbaar blijven en 250 jaar zullen verlopen vooraleer de ramp zal hersteld zijn. Vanaf de eerste tekens van de vrede aan de kim rijzen, wordt het herstel krachtdadig aangevat. De jaren vloed hadden alle binnendijken weggevaagd en doorheen het overstroomde gebied nieuwe watergeulen getrokken, welke in vele vertakkingen middendoor de poldervlakte liepen en langs het Saaftingergat in het noorden en langs het gat van de Perel te Kallo in het oosten, met de schelde in verbinding stonden. Daar de grote zeedijken langs de Schelde het best stand hebben gehouden en de oeverpolders als jongst bedijkte het hoogst lagen, zal men door een verder naar mekaar opschuiven van de dijken en polders van buiten naar binnen, het water tot een smallere geul verdringen en het van de stroom afdammen. In 1614 worden de dijken van Doel hersteld, men legt er een haven aan en sticht een dorp. Melselepolder en Beverenpolder worden herwonnen in 1619 met het opbouwen van een zware dijk naar het noorden. In het westen vertrekt men van de oever van het hoogland en achtereenvolgens herdijkt men de polders van St-Anna, Ketenisse en Kallo waardoor de uitmonding in de Schelde bij de Perel gesloten wordt.
Dan volgt de uitdrijving van het water naar het noorden toe met de indijkingen van Vredepolder of Konings Kieldrechtpolder in 1653,
Oud Arenbergpolder in 1688.
Zo was heel het laaggebied terug herwonnen en sterven de laatste overblijfselen van de vloeden in de Grote Guile of St-Jacobsgat en in de Guile van Kieldrecht. Doch nu is heel de laagvlakte polderland omdat de overstroming in die lange tijdruimten een dikke laag bezinksel heeft achtergelaten en ook de moeren, de heiden, de wilderten en woestinen tot vruchtbaar land heeft omgeschapen.
De Wase polders zoals wij ze nu kennen, hebben hun uitzicht en vruchtbaarheid in de XVIIe eeuw gekregen en hebben sindsdien geen merkelijke veranderingen meer ondergaan.
J. De Wilde
Natuurlijk is nu met de opkomende industrie dit beeld opnieuw niet meer geldig.

Het begrip "polder"


In de lage landen, die langsheen zee en Schelde werden ingedijkt om bewonnen en bewoond te worden en die men met de gemeenschappelijke naam van "polderstreek" of "poldergebied"aanduidt, zijn er welbepaalde eenheden die elk een "polder" uitmaken. d.w.z. een door waterscheidingen begrensd gebied waarin de waterstand wordt beheerst.
Hemel en grondwater dienen afgevoerd (geloosd) en zee-,nof Scheldewater dient geweerd.
Hierbij komen kunstwerken te pas,door mensenhanden gebouwd: dijken en sluizen of moderne bemalingen.
De alluviale gronden, veroverd op de zee, noemt men zeepolders. Dit is het geval voor de polders op beide Scheldeoevers.
Langs rivieren spreekt men van wateringen of meersen.


Wase Polders, vrucht van gestage arbeid van generaties, moeten nu landschappelijk en sociaal patroon prijsgeven
(publicatie ‘Het Vrije Waasland’ 11 en 18 mei 1973 – Rijkhard Van Gerven)


In bodem verankerd

Het eerste, het bizonderste, het waardevolste dat ons bij een blik in het verleden tegemoettreedt, ons diep in de ogen kijkt, ons inpalmt en meesleurt naar vergeten en vergrijsde verten in het verleden, dat eerste is de grond.  De grond waarop we leven, met zijn lijnen van wegen en straten en grachten en waterlopen en andere dingen, alle zo oud als de straat.  De grond ook die ons laat leven door de krachten van de natuur, die hij voor ons opspaart en uitleent aan onze eigen arbeidskracht om deze te laten uitdeinen tot nimmer rustende arbeidslust en tot steeds verder en dieper zoekende genialiteit.  De grond waarmee we samenwerken en de grond die ons leven richting en inhoud geeft.  De grond waarin geankerd liggen alle banden die ons onderling binden: familiaal, sociaal, ekonomisch en zelfs geestelijk.  Van de uit-bundige kermisviering af, over het rijke verenigingsleven heen tot de ingetogenheid van onze processietochten en bedevaarten: ’t is altijd de grond als vertrekpunt, als bezielende kracht, als gezichtseinder.
Zoek nergens in Vlaanderen of in ’t hele land naar een streek waar de grond zoveel betekent voor de mens als in de polders: u vindt er geen.  En in het hele polder-gebied staan de Wase polders in dit opzicht vooraan.  Want niet alleen behoren onze polders tot de beste van Vlaanderen en ver daarbuiten, maar ze hebben ook de geschiedenis van ons land over zich voelen gaan.  Ik zeg meer: ze hebben dikwijls de geschiedenis van dit land helpen schrijven.  Steeds is dat gebeurd samen met de polderboer, en met de miseriemensen van achter de dijk.  Kan men zich grotere gebondenheid in tijd en ruimte, en zelfs gebondenheid door de primaire elementen van de natuur: het water, waartegen men streed, en het vuur, waarvoor men alleen kon vluchten… Vandaag komt er de lucht bij waarvoor we bidden.
Er is een tijd geweest – dat moet wel niet gezegd worden – dat voor de mens de wereld niet verder ging dan zijn familie, zijn stam, zijn sibbe, door hem dagelijks aangevoeld en die zijn leven vulde en zijn zorgen bepaalde.  Daarbij sloot dan on-middellijk aan de kleine omgeving, voor hem bereikbaar met de geringe mogelijk-heden waarover hij beschikte, en die voor hem zijn vaderland was dat niet verder ging dan de moedergrond waarop hij leefde.  Die primitieve toestand heeft eeuwen geduurd en is met korte en soms ook langere sprongen geëvolueerd naar wat we thans beleven, naar het maatschappijbeeld dat de dag van heden de wereld bestrijkt.  Maar, alles bijeen genomen heeft ons huidig bestaanspatroon nog zo’n erg hoge leeftijd niet bereikt.
De honderd jaar ie door de Vereniging van de Polders van het Land van Waas nu herdacht worden, vormen maar een stipje in de historie van deze polderstreek.  Maar ze liggen in een periode die we kunnen noemen: een hoge bloeiperiode van de polders  Ze sluiten ie hoge bloei af met een fiere blik op het verleden maar ook met een grote vraag rond de aantredende nieuwe werkelijkheid.

Waterland

Van de twintig eeuwen van onze tijdrekening is er ronduit gerekend tijdens de eerste twee derden of omtrent 1300 jaar, van de boer, volgens onze gangbare begrippen, weinig of een spraak in deze streek.  Wat wij nu poldergebied noemen was door her-haald inbreken en terugtrekken van de zee een “waterland”, een waddenzee vol slikken en schorren met neerslag van zand en klei en veenvorming in de gebieden die meer buiten het bereik van de zee lagen.  In de Romeinse tijd – die we allen wel voldoende kunnen situeren – was de toestand: droog  land, moerassen, stromend of stilstaand dieper water, alles zo wat door mekaar.  Herhaalde overstromingen wijzig-den het uitzicht van de streek, maar ook de stuktuur van de grond meermaals.  De vroegste woonkernen zijn in de tijd en in de ruimte te situeren in de vroege middel-eeuwen en op de bewoonbare droge plaatsen.  Tussen de bewoonde plaatsen werden langs de hoogstgelegen punten de eerste verbindingswegen ‘gelopen’ dat wil zeggen dat door herhaald gebruik op een intuïtieve wijze het eerste tracé van die wegen tot stand kwam.  Om die wegen – we zouden eerder moeten spreken van paden – droog te houden bij uitzonderlijke watervloeden, werden ze verhoogd tot dammen die terzelfdertijd sommige gebieden vrij hielden ook van gewoon hoogwater.  Die gebieden kregen zo een schorreuitzicht en een schorrestruktuur, met ziltige grond, waarop de natuurlijke grazingen tot stand kwamen.  Die schorren werden stilaan de schapenweiden.
Als we naar de mens zoeken in deze streek dan zullen we hem vinden op de eilanden in dit water- en schorregebied: te Kallo, waar men nu nog spreekt van ‘Hoogkallo’; te Kieldrecht om de Kouter; te Meerdonk: de naam ‘donk’ duidt weer op een hogergelegen gebied en te Hoog-Verrebroek.  Hij houdt zich bezig met wat de natuur hem biedt: de visvangst.  Het is bij die kleine en verspreide gemeenschap van Friese vissers dat de H. Amandus in de tweede helft van de zevende eeuw aan-landde.  De levensbeschrijving van Amadus, daterend van jaren na zijn dood in 676, verhaalt deze gebeurtenis.  Na de stroom te zijn opgevaren, <<vond hij eindelijk een klein eiland bij de Schelde, welk eiland heette Chanelaus.  Hij arbeidde er enige dagen met zijn broeders.  Zijn prediking werd versmaad.  Maar gedurende twee jaren sloeg een vreselijke esel op de weerspannige mensen neer.  Huizen vielen in, velden werden omgezet in woestenijen, zelfs vici en castra werden vernield.  Er bleef in deze streek bijna niemand meer over van degenen die de man Gods hadden versmaad.>>
Er is veel getwist over deze naam Chanelaus, door de latere levensbeschrijving van Amandus Calolau genoemd.  Tot op heden kunnen wij nog altijd en om verschillende redenen met de meeste zekerheid opteren voor Kallo.  In deze korte regelen in het levensverhaal van Amandus kunnen we getuigenis vinden van een overstroming, een nieuwe inbraak van de zee in deze gebieden.  De schildering van de straf Gods is het gewone patroon van de latere overstromingsrampen.

Vissers en schippers

De geschiedenis van onze Scheldevissers langs de linkeroever is nog te schrijven.  Wij vinden ze terug op het einde van de 13e en het begin van de 14e eeuw, ter gelegenheid van de betwisting tussen de graaf van Vlaanderen en de hertog van Brabant over het eigendomsrecht op de Schelde.  Wij vinden er de namen van Hendrik Leschvisch die met zeven man van Saaftingen te Antwerpen werden gerad-braakt en onthoofd wegens feiten die zij op de stroom hadden bedreven.  Op een ‘prove’ of tegensprekelijk onderzoek over de rechten op de Schelde, te Rupelmonde gehouden, vinden we in de getuigenissen namen als Leschvisch, de vader van de man die te Antwerpen was onthoofd, Wouter Donker, Jan Donker, Michiel Haelwater, Jan Bogaert, Willem Ghilouch, Simon Leder, Jan Reinoutszoon, Zegher van den Laren en Pieter de Loese, allen van Kallo.  Het feitenmateriaal dat deze en andere getuigen aanbrengen tekent ons het leven van die Scheldevissers en schippers: zij leefden aan het water, maar ze leefden ook van ht water, niet alleen van de vis die ze naar de markten van Antwerpen en Mechelen brachten, maar ook zo nu en dan van piraterij op de Schelde.  De namen van deze mensen, honkvast gebonden aan hun streek, vinden we terug in de moerbrieven van Claus Vlijt, de kastelein van het kasteel van Beveren aan de rand van het vroeger waterland, dat in de XIVe eeuw tot volle expansie komt.

Turfindustrie

Turf, de middeleeuwse kostbare brandstof, werd voorzeker reeds vroeg uit de ondergrond van de polders gedolven.  Maar in de XIVe eeuw komt het hier met Verrebroek als centrum, tot de vroegste industriële aktiviteit langs de linkeroever. Lodewijk van Male, de graaf van Vlaanderen, bracht het aloude leen, het land van Beveren in het midden van die eeuw onder zijn onmiddellijk gezag.  De moer-ontginning, een van zijn bizonderste inkomsten, werd opgedreven.  En bij dit industrieel bedrijf werd de ganse bevolking betrokken.  Zeker de visser die op de moerleden, de kanalen die het hele landschap doorsneden, de kostbare brandstof naar de overslagplaats van Tervente aan de Schelde bracht en verder ook op de moerschuiten die langs Schelde en binnenwateren Antwerpen, Gent, Brugge, Mechelen en ook plaatsen in Zeeland en in Brabant aandeden, waar de turf uiteindelijk terecht kwam in de kloosters, abdijen, burchten en herenwoningen, de ‘stenen’ van de patriciërs.

Herders, schapen, wol
Het indijken van schorren, waarvan het begin bij ons niet juist te situeren is, reduceerde in sterke mate het waterelement in onze streek, dus ook het levens-element van de visser.  In de rijpende schorren was de herder met zijn schapen reeds verschenen.  Maar eens deze schorren volledig rijp waren voor indijking, verruimde de schapenkweek die nu ook braakland, vogelweiden, dijkhellingen, grachtkanten als weiplaatsen toegewezen kreeg.  Wol van schapen, die geweid hadden op zilte grond had een hogere waarde.  Daar waar de eerste indijkingen waren aangevat door de abdijen, vooral Sint-Pieters en die van Drongen in deze streek, waren het nu, bij de herindijkingen gedurende de XIVe eeuw, vooral Brugse patriciërs uit de omgeving van het hof van de graaf, en Gentse wolmagnaten, die als leggers van de nieuwe polders optraden en hun namen schreven in de goedenis-brieven waarbij het onroerend bezit van menige grote en beruchte familie enorme afmetingen aannam.
Men dijkte in, Scheldewaarts, zodat onze oudste polders het verst van de stroom verwijderd liggen.  Dicht onder de oever bleven nog lang de schorren, het bij-zonderste weidegebied van schapen en vee.  Hun oudste benamingen wijzen erop: Hernesse (d.i. de nesse, de landtong waarop de schapenkudden graasden), Ketenesse (dat afkomstig is van Cattelnesse, de landtong waarop het vee liep) (Cattel, Cateile, Cateel = vee).  Met dat al wordt de visserij op de achtergrond gedreven, de visser neemt een gemengd bestaan aan: hij wordt ook herder maar eerder nog wordt hij schipper.  Die verandering in de levenswijze verloopt geleidelijk in de familie: waar de vader visser was, werd de zoon visser en herder of visser en schipper, en de kleinzoon houdt het bij het bedrijf van de toekomst.  Zo is het schematisch te zien.  Maar alleszins vinden we de namen van onze vissers, die als getuigen optraden bij de Scheldeproven, later steeds terug in de streek.  De toren van Verrebroek, het belfort van de polders, is het stenen  monument gegroeid in die tijd, gegroeid ook door die tijd.  De turf, gedolven in de oude polders van Aendorp, de streek tussen Vrasene, Kieldrecht en Kallo, was de brandstof die geleverd werd aan de patriciërshuizen, de burchten en kastelen en kloosters van Vlaanderen en Brabant.  De opbrengst van deze moerontginning was een van de bijzonderste in-komsten van de graaf van Vlaanderen, heer van Beveren.  Honderden werkten als moersteker, als delver aan moerleden, als timmerman of smidsgast aan bruggen en sluizen, als schipper op de moervlotten in de polder of op de moerschuiten op de Schelde en de rivieren van Vlaanderen en Brabant.  Om niet te spreken van de moermeester, die boek hield en de gelden in ontvangst nam en rekening aflegde voor de kastelein op het kasteel van Beveren, ie op zijn beurt zijn jaarlijks rekening moest overbrengen voor de graaf en zijn rekenkamer.  In de XIVe eeuw groeiden onze polderdorpen uit tot meer bezette woonkernen.  Verrebroek stond in 1408 geboekt met 219 hofsteden op 1033 bunder schatbaar land.  Doel kreeg een woon-kern dichtbij Tervente, waar de moer werd overgeslagen in de rivierschuiten en waar de tol werd ontvangen.  Kallo had zijn rol als militaire wachtpost aan de Schelde te vervullen.  En naar Kieldrecht trok de vrome pelgrim Hulsterlowaarts, de streek waar ook Reinaert de Vos eens thuis was, een paar honderd jaren vroeger… De moerontginning, de vroegste industrie in onze polders, heeft haar bloeiperiode en ook verval gekend.  Er was vooreerst de uitputting van de turflaag.  De ontginning had een grens die gebonden was aan een dieptemaximum.  Maar er was vooral het feit dat de grote overstromingen de moergronden teisterden en onbrikbaar maakten.  Op sociaal vlak bracht dit een achteruitgang mee, een ontvolking, die de graaf van Vlaanderen trachtte te keer te gaan door hernieuwde indijkingsoktrooien en zekere vrijdommen geschonken aan de nieuwe bewoners van de nieuwe dijkagien.  Wij kennen het oktrooi gegeven door Lodewijk van Male in 1353 om “te doen dikene tlant va Kieldrecht ende van Caloe ende datter toebehoert dwelk in tiden verleden ute ghegan es.”  Nu mogen we niet vergeten dat bij ’t verlenen van indijkingsoktrooien ook het belang van de graaf en zijn schatkist werd gediend.  De stipulaties van elk oktrooi vrijwaren dus ook deze belangen en de voorwaarden, aan het oktrooi verbonden, staan in funktie ten eerste van de grafelijke belangen, ten tweede van die van de leggers, d.w.z. van de personen die hun kapitaal investeren in het droog-leggen van de polder.  En dat zal door de eeuwen heen zo blijven: het belang van de heer, dat later kan verwoord worden als het openbaar belang, en het partikulier belang worden telkens afgewogen en in termen vastgelegd, die meer en meer een juistere omschrijving krijgen.
Op het indijkingsoktrooi van 1354 volgde een grafelijk dekreet in 1371, deze welbepaalde vrijdommen verleende aan hen die deze nieuwverworven gronden zouden kunnen bewonen.  Het is opmerkelijk hoe Lodewijk van Male de polderstreek van het Land van Beveren heeft begunstigd.  Dit is te verklaren door het feit dat hij dit aloude Land van Beveren, zeer machtig en zeer rijk, in het midden van de XIVe eeuw onder zijn onmiddellijk gezag had gebracht en als een rijke bron van inkomsten wilde bevoordeligen.
De uitgemoerde grond liet een wildernis na die stilaan een andere bestemming kreeg: deze van grasland en van labeurgrond.  En dat was dan het terrein van de boer.
Het is best mogelijk dat in dit nieuwland in de eerste jaren het boeren verliep naar het aloude drieslagstelsel.  Dat bestond hierin: een jaar bezaaiing met broodgraan, een wintervrucht op winterland gezaaid.  Het volgende jaar zomergraan op zomerland bestemd voor het werkende vee en de rijpaarden, ook voor het bierbrouwen en bij mislukking van de wintertarwe, ook voor menselijke konsumptie. Het derde jaar bleef het land braak liggen, in rust en kreeg het de bewerking nodig tot het verkruimelen van de grond en de bemesting.  Als eenmaal de nieuwe poldergrond genoegzaam onder de hand was geweest van de polderboer, en wanneer door de aanroei van de veestapel er ook meer stalmest beschikbaar kwam, kon de boer overschakelen op de jaarlijkse vruchtafwisseling.
Na de visser, de herder en na de herder, de boer: zo verliep het maatschappelijk patroon in onze polders.  Herhaalde overstromingen konden remmend optreden en soms wel een verregaande ontreddering meebrengen.  Maar steeds was daar weer de kapitaalkrachtige grondbezitter en de noeste koppige boer om het land aan de zee te ontrukken.  Eigenlijk is dat de steeds weerkerende historie van de streek.

Rampen
De XVe eeuw was voor onze polders een rampeeuw.  De Sinte-Elisabethsvloed van 1404 maakte de polders van het Land van Beveren drijvende, rijdende of zoals men het ook wel uitdrukte: “ze lagen voor eb en vloed”.  Dat heeft jaren geduurd.  In 1412 werden de schorren, gelegen voor Melsele, Zwijndrecht, Kallo, Beveren, Verrebroek en Vrasene, te koop gesteld.  De uiteindelijke koop ging eerst door in 1414 en een oktrooi tot bedijking werd gegeven door Jan zonder Vrees.  Zo werd herwonnen wat men nu noemt Melselepolder, Beverenpolder en Vrasenepolder.  In het oktrooi wordt gesproken van Melselebroek, dat begint aan de Blokkersdijkweert.  Calveringersweert, van het Kleen Schoor of Oostbroek (d.i. ten oosten van het kasteel, tot aan de Melseledijk) en van het Westbroek (d.i. ten westen van het kasteel tot aan de Meerlantse dijk).
Over de juiste grenzen van dit gebied zouden bij latere indijkingen in de XVIIe eeuw betwisting en moeilijkheden ontstaan.
De naam Calveringersweert is na de XIVe eeuw uit onze polderregisters verdwenen.  Wij konden onder dit poldergedeelte verstaan als wat later en nu nog in Melselepolder de Grote Hoek en het Hof ten Damme genoemd wordt.  Toen behoorde dit onder Kallo; later zou Melsele dat onder zijn gebied nemen en bij de laatste grenswijzing is het grotendeels weer opnieuw Kallo geworden.  “L’histoire se répète…”
Toen men aan dat zuidelijk gedeelte van ons poldergebied de indijking aanvatte, bleef het uitgestrekte noordelijk gedeelte nog drijven.  Met één woord werd dit gebied Aendorp genoemd.  De opvolger van Jan zonder Vrees, de grote Boergondiër Filips de Goede, zou dit een twintigtal jaren later – ook weer om geld bijeen te krijgen – verkopen.  De koopbrief vermeldt het op ondubbelzinnige wijze: “De grote lasten die wij gehad hebben en die wij heden nog te dragen hebben op menigvuldige en verscheidene manieren voor het onderhoud, zowel van wapenknechten als van paarden, die wij moesten houden verleden jaar en ook nog dit jaar in verschillende delen van Frankrijk voor het welzijn en de eer van de koning, van ons zelf en van al onze welwillende geallieerden en onderdanen, alsook voor de weerstand die wij gewapenderhand begonnen zijn tegen die van Luik die verleden jaar het vuur ontstaken in ons graafschap Namen waar zij veel kwaad en ongemakken stichtten – zo hebben wij nood aan grote geldsommen om ons in onze zaken te helpen, welke sommen wij geenszins gehad hadden noch konden vinden tenzij dan door de verkoop of tepandstelling van een deel van ons erfgebied, op de minst schadelijke wijze mogelijk.”
Deze koop heeft in de poldergeschiedenis de pittoreske naam gekregen van Slyccoop van Haendorp en hij werd zeer nauwkeurig omschreven wat de uitgestrektheid betreft.  In grote trekken kunnen wij zeggen dat dit neerkomt op de huidige polders van Kallo, Sint-Anna (zonder Ketenisse), het zuidelijke deel van Doel en Kieldrechtpolder met Oud-Arenberg.  En weer eens, zoals bij de vorige herindijking, komen namen naar voor van de meest markante families van Vlaanderen en van Zeeland.
De slikkoop van Aendorp werd in gedeelten ingedijkt en zo kwamen ook nieuwe namen van polders tot stand: Sinte-Anna, Sint-Niklaas, Sint-Antonis.  Eén polder kreeg de oude naam behouden: Aendorp.  En verder sprak men van Kieldrecht, en Verrebroek.  De indijkingen lagen namelijk ver uiteen wat de tijd betreft.  Sinte-Annepolder werd eerst in 1516  verkaveld en de generale dijksluiting had het volgend jaar plaats, wat aanleiding gaf tot het plaatsen van een gebrandschilderd raam in de kerk van Kallo.
Over deze slikkoop en de polders die er uit voortkwamen is zeer veel te vertellen, en het kan op des te meer gefundeerde wijze gebeuren daar de oude polderkaarten er nog een beeld van geven.  Dat zijn dan ook de oudste polderkaarten van ons poldergebied aan de linkeroever en er waren er van te zien in de tentoonstelling te Beveren.
Dat hele gebied, zuid en noord, dat van 1414 en van 1413, zou herhaalde waterrampen kennenin dezelfde XIVe eeuw nog en in de eerste helft van de XVIe eeuw.  Maar steeds herbegon men, met veel geld en onvermoeibare mankracht.  In 1567 werd zelfs het schorregebied voor Doel ingeduikt maar dan kon men spreken van Antwerpen en Brabantse maecennassen en van een meer degelijke aanpak bij de dijkaanleg.  Bekende landmeters uit Brabant en Zeeland kwamen er bij te pas en men liet zich bijstaan door niemand minder dan de grote dijkenbouwer Vierlingh uit Nederland, wiens raad men echter niet altijd volgde.

Tachtigjarige oorlog

Weinige jaren nadien, in de tachtiger jaren, zou de grote ramp over de hele streek komen: de strategische onderwaterzetting va Saftingen tot Burcht en van aan de Schelde tot het hoogland van Waas.  Wij noemen dit de Farnese-overstroming omdat ze aangericht werd in het raam van het beleg van Antwerpen door de Spanjaard Farnese.  Eens te meer vullen onze  polders, en de Schelde die er voor ligt, de bladzijden van onze nationale geschiedenis.  Het beleg en de inname van Antwerpen, lopende van 1583 tot 1585, het meest merkwaardige wapenfeit uit de Tachtigjarige Oorlog en het volstrekt dieptepunt uit de Vlaamse geschiedenis en ook een van de meest markante en in de militaire akademies bestudeerde stadsbelegeringen, kon aangevat worden en tot een goed einde gebracht dank zij de polders van het Land van Beveren en de onzeglijke offers die door onze polderbevolking werden gedragen.  Wij noemen buiten de overstroming, die jaren zou duren, de schipbrug van Farnese te Kallo, de bouw van de forten Sinte-Marie, de Perel, Liefkenshoek, de schansen om zo te zeggen op elk stukske dijk dat er in dat onmetelijk watergebied overbleef, de Parma-Vaart en alles wat dit meebracht aan miserie door de soldateska van de Spaanse legerbenden.  Jarenlang zou Kieldrecht kwijnen en nog langere jaren zou er omzeggens van leven in Kallo geen spraak meer zijn.
De overgave van Antwerpen werd getekend op het kasteel van Beveren, dat ook een stuk uitmaakt van onze poldergeschiedenis.  Het wapengeweld ging naar andere streken.  Het watergebied en de armoede bleven achter, wachtten.  En wachten moesten ook doen de boeren die naar het hoogland van Waas en verder getrokken waren met hun vee en hun schamel bezit, met de herinnering aan hun polder en de hoop eens opnieuw weer polderboer te kunnen worden.
Dat zou lang aanlopen.  Eerst in 1614 werd een eerste stuk waterland ingedijkt: Sinte-Anna, Ketenis en Doel.  De andere volgden kort daarop: te beginnen aan het hoogland: 1615 Rode Moer, Salegem, Extensie en Sint-Gillis; 1616 Turfbanken en Hoog-Verrebroek; 1617 kreeg Kieldrecht een indijkingsoktrooi  maar de inpoldering zou nog lang moeten wachten: 1619 Beveren en Vrasene.
Toen was ’t gedaan met het wapenbestand, de oorlog begon opnieuw.  Kallo en Kieldrecht bleven liggen, omdat er tussen de twee vijandelijkekampen een waterlinie moest blijven bestaan.  Eerst na de Munsterse Vrede in 1648 werd ook Sinte-Anna en Kieldrecht ingedijkt.  Sinte-Anna verloor zijn naam en werd Kallopolder.  Die polders hadden 70 jaar gedreven!
De nieuwe indijkingen die na de Farnese-overstroming tot stand kwamen, hebben een gans ander beeld gegeven aan ons poldergebied.  De nieuwe dijken volgden een ander tracé.  Oude polders werden opgenomen in de nieuwe Kallopolder.  Hij omvatte b.v. het vroeger Sint-Niklaas en Aendorp en een deel van Sint-Anthonis-zuid.  Op het einde van de eeuw kwam in 1688 Arenberg tot stand, Oud-Arenberg.  Het Nieuw-Arenberg zou eerst honderd jaar later komen.
Kort gezegd: het polderlandschap zoals wij het tot nog toe hebben gekend is gemaakt in de XVIIe eeuw.   En in dit nieuw polderlandschap is de nieuwe boer gekomen.  De zonen en kleinzonen van hen die uitgeweken waren, en ook nieuwelingen.
Maar net zoals hun voorgangers zouden zij als polderboer de vette jaren, de boerenrijkdom, zien afwisselen met jaren van kommer: het land langs de linkeroever van de Schelde heeft de geschiedenis van die Schelde meegemaakt en dus ook de geschiedenis van Antwerpen.  Waar in de anderes strekene de oorlog alleen vuur brengt was het hier elke maal water en vuur zodat de meest tipische naam die aan ons poldergebied kan gegeven worden is: de streek van water en vuur.
Wij kunnen over deze streek niet spreken zonder in hetinnering te brengen de namen van de leggers, van hen die hun kapitaal investeerden in de droogmaking van de polders: daar zijn dan namen te noemen als Borluut, Vijt beiden ook verbonden aan de schepping van Het Lam Gods; van der Banck, Triest, Colard le febre, Loscaert, du Buisson, Nemery – burgers van Gent – of van Brugge of van Dordrecht, zoals gestipuleerd in de oktrooien – de Baenst, van Paepenbrouch, Cachiopin de la Redo, van Bourgogne, van Heften, van Dorpe, van Couwerven, van Steenwinckel, Yala, van Pottelsberge, van Reynegem en zo veel meer.

Wettelijke schikkingen

De afstammelingen van de leggers waren de geërfden.  Zij waren de ingelanden, grote of kleine.  Door gezamenlijk optreden maakten ze de polder droog en hielden hem later droog.  Stilaan groeide ook de noodzaak tot overleg en overeenkomst met andere polders.  Het suatierecht (afwateringsrecht) was een van de eerste aspekten dat moest geregeld worden en aanleiding gaf tot betaling van suatiegeld.  Later zouden nog andere moeilijkheden – vooral geldelijke – aanleiding geven tot gemeen overleg en gemeen optreden.  Vooral bij het vrijwaren van de vele rechten die de prinsen in hun oktrooien hadden gegeven aan de ingelanden van de polders, wat vooral het geval was in oorlostijd en bij het hernieuwen van het oktrooi.  Maar het optreden van de prinselijke macht als ordenend element in het polderbeheer dagtekent eerst van 1531 toen Karel V reglementeerde dat de achterliggende polders ook zouden bijdragen in de onkosten van de polders in eerste lijn.  Verder zou het aanlopen tot in 1580, toen Filips II het eerste centraal organisme oprichtte: het ambt van superintendant en dijkgraaf-generaal van Brabant en Vlaanderen.  Maar in dit alles leunde men aan en steunde men steeds op het aloude dijkrecht dat als ongeschreven wet steeds was gevolgd en in de oktrooien was vernoemd.
Zo evolueerde men naar een centralisatie en een bestendig toezicht.  Eerst in de XIXe eeuw kwam men naar een sterk uitgesproken centralisatie inzake polderbestuur.  De drie dekreten van Napoleon kwamen aan de basis van een reglementering die zowel geografisch als administratief ook in de volgende aren zou fungern: het dekreet van 11 januari 1811 over het beheer en de onderhoudswerken; het dekreet van 16 december 1811 over de politie: het dekreet van 28 december 1811 over het bestuur van de polders van het departement van de Schelde.
Het zou te uitgebreid zijn hier verder die centraliserende rang te volgen.  Wel mag aangestipt worden dat meer polders reeds vóór Napoleon zelf tot een gewestelijke centralisering kwamen die ze zelf in handen hielden: de Generaliteit van de Wase Polders.  Dat was zowat de voorloper van wat, 100 jaar geleden werd: de Vereniging der Polders van het Land van Waas, wiens stichting wij heden herdenken.

Nieuw sociaal patroon
De sterkste ingreep beleven wij de dag van vandaag.  Door de noodzaak van de uitgroei van de industriële en portuaire aktiviteit van de haven van Anterpen worden onze polders aangesproken.  Er komt in deze streek voor de vierde maal een omwerping van  het sociaal patroon.  Het groot grondbezit met een sterke familiale traditie moet het ruimen voor het groot kapitaal dat vreemd is.  Eerst was hier de visser, die verdreven werd door de herder die op zijn beurt gevolgd werd door de boer.  Nu zal de boer verdwijnen voor de werkman, de techniek.  Dat alles wordt sterk aangevoeld, vooral door de boerende bevolking, getroffen i haar hele levensbestaan: familiaal, sociaal, ekonomisch, financieel en ook moreel.  De omschakeling van visser, herder, moersteker ging geleidelijk over generaties.
De boer gaat heen maar waar hij ook belandt: hij blijft de polderboer van aan de linkeroever van de Schelde, uit het Land van Waas, uit het Land van Beveren, van Kallo, Verrebroeck, Doel, Kieldrecht.  Met hem gaat mee het hele patroon van zijn polderboerenbestaan, zijn polderboerensysteem, zijn polderboerenvernuft, zijn polderboerenkoppigheid tegenover de weerbarstigheid van de grond die hij elders vindt, kortom zijn hele polderboerenpersoonlijkheid en –mentaliteit, zijn fierheid, arbeidslust, kundigheid, zijn polderboerenbestaan.
De polderboer gaat heen maar blijft bestaan, zij het dan zlders…  Maar het landschap vergaat.  Wat vroeger terug kon opgehaald worden van onder de ziltige Scheldewateren en terug kon omgetoverd worden tot een nieuw bezit, een nieuwe rijkdom, wordt nu begraven onder zand en beton. 
De schouwen en pilonen geven een nieuw beeld, van verre zichtbaar.  In de polderluchten walmt de industrierook.  Waar eens de ploeg van de boer ging zullen schepen varen en treinen rollen.
Nieuwe mensen, in een nieuw landschap.  Wat verdween wordt betreurd en met een zwaar hart ten grave gedragen.  De herinnering zal lang blijven.  God geven dat men zich bezinne rond al het nieuwe dat zich aandient en tot verdere uitbreiding wordt gebracht.  Het zal een diepgaande ingreep zijn, een lange evolutie, God geven dat men zich elke dag, elk uur bezinne.  Want nooit meer zal de poldergrond, die onze voorgeslachten sterk gebonden hield en ons ook sterk bindt, nooit meer zal die uit zijn graf kunnen herrijzen en opnieuw de oude rijkdom en de oude glorie brengen. 
Wij aanvaarden, maar voor de derde maal: dat men zich bezinne elke dag, elk uur!

De polders... definities, eenvormigheid, verscheidenheid en historische evolutie.

Introductie
Vandaag spreekt men gemeenzaam over ‘polders’, over ‘de polders’ of over het/een ‘poldergebied’. Bij navraag zullen velen daar ongetwijfeld veelal niet hetzelfde mee bedoelen. Sommigen zullen er vooral de open gebieden mee willen aanduiden langs rivieren en langs de zee waar de wind vaak onaangenaam waait. Anderen zullen de polderregio associëren met vette, zwarte grond waar het bij regen de laarzen weerbarstig in blijven vast steken. Nog anderen zullen polders dan weer met dijken associëren, maar wat dan precies de betekenis was en is van die dijken weet men veelal nog maar zeer vaag… Vele mensen verwarren, om begrijpelijke redenen zoals we zullen zien, meestal ook ‘polders’ met zgn. ‘poldergronden’.
1. De polder en het water
Ja, wat zijn dat nu eigenlijk polders? Het woord zelf is van (laat-)middeleeuwse oorsprong (en komt voor als ‘polre’, ‘poelre’, ‘poller’, ‘poldre’, ‘polder’). Over de taalkundige oorsprong van het woord wordt geredetwist en eigenlijk is er geen goede verklaring voor. Volgens sommigen is ‘polder’ verwant met het woord ‘poel’, plas, maar er zijn ook andere theorieën. Belangrijker is dat we weten dat er in Vlaanderen en later ook daarbuiten (vanaf de elfde of twaalfde eeuw) met een polder een ingedijkt gebied werd aangeduid. Met andere woorden een per definitie vochtig gebied waar een dijk of dam rond lag en dat zich op die wijze onderscheidde van de rest van het landschap dat niet omsloten was met dijken. Technisch gezien heeft het woord die betekenis behouden tot vandaag. In een dergelijk gebied hebben de dijken een dubbele functie. Enerzijds dienen zij het zgn. buitenwater uit de polders weg te houden. Met buitenwater wordt bedoeld, water dat via de zee of een getijdenstroom de polder kan overstromen bij bepaalde waterstanden of bij storm. Maar men creëert door de aanleg van afsluitende dijken eigenlijk tegelijk een ander probleem: het probleem van het binnenwater dat dient te worden afgevoerd. Dit binnenwater is per definitie het regenwater afkomstig uit de polder zelf, uit nabijgelegen polders en uit het hoger gelegen achterland dat via één of meerdere aangrenzende polders het overtollige (regen-of rivier)water dient kwijt te geraken. Vandaar dat er geen polderdijken zijn zonder sluizen en geen polders zonder een waterwegennet waarlangs het water dient afgevoerd. Dergelijke specifieke infrastructuur en landinrichting is dus per definitie verbonden met polders. De aanleg van dijken met de bedoeling om van een gebied een polder te maken was alleen maar noodzakelijk onder bepaalde omstandigheden. Meestal zijn die ingepolderde gebieden uiteraard laag gelegen omdat het gronden betreft die zonder de dijken ernstige schade zouden ondervinden van het buitenwater. Vaak hadden ze vóór de inpoldering bij bepaalde waterstanden (sommige gronden bij hoogwater, andere bij springtij) onder water gestaan; andere gronden leden alleen onder (weliswaar frequent voorkomende) stormvloeden. Het buitenwater waaraan deze gebieden ten prooi vielen, kwam zoals vermeld vanuit de zee of de zeearmen:
getijderivieren en -zijrivieren). In actieve perioden, die vaak samengingen met verhoogde stormvloedschade, vormden er zich ook landinwaarts diepe geulen en zijgeulen, die het water toelieten verder het land binnen te dringen en ervoor zorgden dat het getijdengebied zich kon uitbreiden. In de ruimste zin van het woord kunnen we polders dus begrijpen als gebieden waar een van nature vochtige situatie door invloed van de mens omgezet is tot een – permanent of tijdelijke – droge.
2. De poldergrond als geologisch gegeven
Naast het gegeven van de polder als drooggemaakt gebied, wordt bij de term “polder” vaak impliciet gedacht aan een specifiek soort bodem: de stevige, donkere, polderklei. Er kan vanuit geologisch opzicht inderdaad gesproken worden van een poldergrond, maar om ten volle te begrijpen wat dit inhoudt – en in hoeverre we deze mogen beschouwen als uniform of als synoniem voor “de polder(s)”, dienen we deze van naderbij te bekijken.
Het ontstaan van een poldergrond hangt samen met het vochtige karakter van dit laaggelegen landschap en specifiek de relatie met het zeewater. De ingeslagen geulen waarvan hoger sprake voeren ook vrijwel altijd zandkorrels mee en zorgen daardoor voor zandafzettingen in de gebieden die ze overstromen. In geologische taal spreekt men over ‘mariene sedimentatie’. Deze sedimentatie was en is zeer verscheiden. In de diepere geulen werden dikkere zandkorrels afgezet. Vaak slibden de zeegaten hierdoor later, in een rustiger periode met minder watererosie, weer dicht. Buiten de getijdengeulen werden meestal fijne zanddeeltjes afgezet op de ondiepe delen en die vermengden zich met rottende resten van wieren en andere organismen, waardoor ze een glibberig zwart uitzicht kregen. Dit zijn kleiafzettingen. Soms had een overstroming veel tijd nodig om buiten de geulen in het bij vloed overstromend land een flinterdun laagje af te zetten. Soms ging het snel en werden op enkele decennia tijd meerdere decimeters afgezet. Dit laatste is het geval geweest in vele van de Zeeuwse en Wase polders. Vooral na zeer zware stormvloeden of ten gevolge van strategische onderwaterzettingen kwamen grote gebieden vaak voor zeer lange tijd onder invloed van de getijden. Zeer bekend is bijvoorbeeld de zgn. Sint-Elisabethsvloed van 1404 die veel schade in de Westerscheldepolders veroorzaakte. Inzake militaire inundaties zijn het vooral de godsdienstoorlogen geweest die grote delen van de Westerschelde en Wase polders hebben onder water gezet, vooral wegens het beleg van Antwerpen in de jaren tachtig van de zestiende eeuw. Vaak duurde het tot diep in de daaropvolgende eeuw alvorens de gronden werden (her-)ingepolderd. Ondertussen waren hele pakken vruchtbare sediment afgezet die vaak tot vandaag de bovenlaag vormen van de vruchtbare poldergronden! De aldus met marien sediment bedekte gronden stonden dus vaak decennia en eeuwen lang onder invloed van de zee of van grote rivieren. De onbedijkte, met sediment bedekte gronden in deze zgn. ‘getijdengebieden’ noemen we slikken en schorren. Slikken vallen droog bij laagwater en lopen onder bij hoogwater. Hierop groeien geen planten. Schorren daarentegen overstromen alleen bij springtij of stormvloeden en laten toe dat er zoutminnende schorreplanten op kunnen groeien. Deze werden vroeger door schapen, waardoor er vóór de bedijkingen vaak vele grote schaapskuddes - vaak eigendom van grote religieuze instellingen - in deze gebieden aanwezig waren. De allerhoogst gelegen sedimenten duidt men soms dan ook aan als ‘schaapsweiden’.
Deze kleigronden zijn dus absoluut niet zo eenvormig! Sommige zijn duizenden jaren oud, anderen slechts honderden jaren. De korrels van de bodem zijn van structuur vrij verschillend, wat aanleiding geeft tot vrij grote kleurverschillen (van geelachtig tot zwart). Toch hebben deze kleigronden gemeen dat ze uit via water aangevoerde sedimenten bestaan en dat de de grond , ondanks de lokale verschillen, in de regel bestaat uit zeer fijne korrels, waardoor de gronden ‘zwaar’ en weinig waterdoorlatend zijn in vergelijking met bodems die meer landinwaarts liggen (vaak zgn. zandgronden en zandleemgronden). De polderbodems zijn in hun geheel of minstens in de bovenste lagen ook relatief jong. De meer landinwaarts gelegen zandgronden in onze gewesten dateren immers vaak ten laatste uit de laatste ijstijd, terwijl aan onze kusten de sedimentgronden in de regel dateren uit de tweede helft van het zogenaamde Holoceen, de jongste geologische periode na de laatste ijstijd waarin we nu nog leven. De Noordzee liep ten gevolge van de heropwarming van de aarde, die aanving ca. 12000 jaar geleden, geleidelijk weer vol water. Dat gebeurde vooral in de eerste helft van deze periode. Vanaf ca. 6000 jaar geleden verminderde de zeespiegelstijging waardoor zich een strandwal kon vormen, een duinengordel bestaande uit dikke via de zee aangevoerde zandkorrels nabij de zee. Mede omdat het binnenwater nog steeds naar buiten diende te kunnen worden afgevoerd waren er evenwel altijd op geregelde afstanden gaten in deze duinengordel langs de Noordzee, waardoor zeearmen vaak ver het land konden binnendringen. De zich verplaatsende grote zeearmen of geulen die zich doorheen deze strandwal een weg hadden gebaand waren verantwoordelijk voor de aanvoer van het marien kleisediment dat de slikken en schorren vormde. Vanaf de dertiende eeuw werd de Westerschelde, oorspronkelijk niet meer dan een kleine zeeboezem die nog niet in verbinding stond met de oorspronkelijk veel belangrijker Oosterschelde,i geleidelijk breder en groter en kwam die rivier sterk onder invloed van de getijden te staan. Hierdoor vormden zich ook via deze Westerschelde op geregelde afstanden grote aftakkingen of secundaire zeearmen, bijvoorbeeld de aan het einde van de veertiende eeuw in belangrijke mate uitgebreide Braakman en de N-Z geul die via Hulst tot in het Land van Waas liep ). Deze geulen lieten hun invloed duidelijk gelden en waren verantwoordelijk voor dijkdoorbraken bij hevige stormen, vooral wanneer de dijken niet goed onderhouden waren. In vele gevallen kunnen we vandaag in het polderlandschap nog vele sporen terug vinden van de getijdegeulen die verantwoordelijk zijn voor de aanvoer van onze poldergronden zoals we die vandaag kennen. Ik bedoel met name de vele zgn. kreken die we in vrijwel elk poldergebied terug vinden. Het meeste bekend is het Meetjeslandse krekengebied. In het Waasland zijn er de prachtige kreek van Kieldrecht die van laatmiddeleeuwse oorsprong is en de kleinere kreekjes die her en de bewaard zijn gebleven. Al deze kreken waren ooit (delen van) getijdegeulen en hebben daarom ooit in verbinding gestaan met getijdenwater van de zee!
Wanneer de via getijden of overstromingen door water gesedimenteerde gronden aan de getijdenwerking werden onttrokken door zich sluitende dijken aan te leggen, kunnen we spreken van de omzetting van kleiige slikken en schorregronden tot poldergronden zoals die meestal tot op vandaag genoemd worden. De term is dus synoniem geworden van drooggelegde kleigronden.
We vermeldden al dat de structuur van deze polder- of kleigronden niet overal dezelfde van aard was. Maar er zijn ook niet onbelangrijke hoogteverschillen merkbaar. Dit kan je al goed zien wanneer je met de fiets door het polderlandschap fietst of erin wandelt. Op vele plaatsen is links of rechts van de weg het niveau vele tientallen centimeters of zelfs enkele meters verschillend. Via meer exacte metingen blijkt dat die verschillen nog veel groter kunnen zijn. Dit heeft te maken met de genese van het gebied vaak voor de inpolderingen. “Le plat pays” is bij nader toezien toch niet overal gelijk qua hoogte, ook al zijn de hoogteverschillen natuurlijk veel minder groot dan bijvoorbeeld in binnen-Vlaanderen!
3. Spraakverwarring? Begrippen en opvattingen over “de polder”
3.1 Poldergronden, veen en polders
Het lijkt contradictorisch maar we vinden niet alle poldergronden in polders en vice versa. Zoals hoger aangegeven hebben/hadden polders per definitie oorspronkelijk een ringdijk om het buitenwater tegen te houden. De bodemsoort was hierbij echter niet bepalend. Alleen de noodzaak om een gebied waterarm te maken en het te draineren speelde mee en dit was niet alleen noodzakelijk voor de met marien sediment bedekte gebieden! Tot nu toe hebben we het inderdaad alleen gehad over de via de zee of getijderivierarmen aangevoerde gronden. Deze gronden waren inderdaad vanaf de Karolingische periode en versneld vanaf ca. 1050 tot ca 1300 zeer gegeerd om er droge landbouwgronden van te maken. Dit heeft in dat gebied, zoals elders in Europa, te maken met een belangrijke bevolkingsgroei en de nood aan meer intensief bewerkte gronden voor voedselproductie.
Behalve deze door marien sediment aangevoerde gronden was er in de natte kustgebieden tot zeer ver landinwaarts echter nog een ander type van bodem bijzonder talrijk aanwezig: de veenbodem. Veen is een plantaardig opgebouwde bodem die bestaat uit met water vermengde gerotte planten en mossen. Ze vormt zich in natte gebieden ten gevolge van een hoge grondwatertafel, of door overvloedig regenwater in combinatie met weinig doordringbare onderlagen. Deze veenlaag kon vele decimeters, zelfs diverse meters dik zijn. Vanaf de tweede helft van het Holoceen, dus vanaf ca. 6000 jaar geleden, had zich achter de toen gevormde duinengordel langs de zee vele kilometers landinwaarts een enorm veendek aan de oppervlakte gevormd dat zeer kenmerkend moet geweest zijn voor dat landschap. Dit sponsachtig veen was op sommige plaatsen nog blijven groeien tot ca. het jaar 1000 van onze jaartelling. Dergelijke drassige gebieden moeten op de droogste stukken of na drainage op vele plaatsen wel geschikt geweest zijn voor landbouw. Er werden ook wilde planten op geoogst (waaronder gagel, dat men gebruikte voor bier), vee op gezet en er werd zelfs aan graanteelt op gedaan. In sommige niet met marien sediment bedekte veengebieden werden daarom met het oog op drooglegging eveneens dijken aangelegd, wat het ontstaan gaf aan ‘polders’ zonder kleilaag aan de oppervlakte. We weten dat dit veendek – ook moer genoemd in de teksten – zich tot heel diep in het binnenland uitstrekte. Grote delen van het achterland van onze kuststreek tot Brugge maar ook van het achterland van de Schelde, met name het Meetjesland en het Waasland (tot Wachtebeke, Koewacht, Stekene, Moerbeke, Sinaai, Sint-Gillis, Kieldrecht, Verrebroek…) waren ermee bedekt. De al vele malen vermelde zeearmen achter de duinengordel hadden zich veelal een weg gebaand doorheen dat veenlandschap. Ze hadden soms veen weggeslagen en meegevoerd of dan weer gezorgd voor kleiafzettingen bovenop de veenlagen. Sommige venen bleven echter ongeschonden bestaan tot en met de zestiende eeuw. Daarna waren de meeste bij ons verdwenen. Dit heeft te maken met de vergrote invloed van de zee en de uitbreiding van getijdengebieden, met afzettingen op het veen voor gevolg. Het had echter ook te maken met het feit dat al vanaf de Romeinse tijd, maar vooral in de middeleeuwen, het veen kunstmatig en zeer intensief door de mens was weggehaald om er brandstof van te maken: zogenaamde turf. Hiervoor werden hele veenregio’s systematisch drooggelegd met dijken, waardoor ook ‘polders’ ontstonden. Deze ‘turf’ of ‘daring’, zoals men het afgegraven veen noemde, was in Vlaanderen een zeer gegeerde brandstof waarrond zich een hele industriële activiteit had ontwikkeld en waarvoor turfvaarten werden aangelegd die bijvoorbeeld in het Waasland tot vandaag bewaard zijn gebleven (vb. Moervaart en Stekense vaart). Onze regio’s waren vanaf de 12de eeuw zodanig dicht bevolkt dat bossen en hout er zeldzaam waren geworden. De bloeiende steden zoals Gent, Ieper, Brugge en vele andere maakten dankbaar gebruik van deze turfindustrie om hun vroeg-industriële activiteiten van de nodige brandstof te voorzien. De veenlagen die achterbleven, verloren in middeleeuwen ook vaak hun oorspronkelijk karakter. Ze werden ofwel weggeslagen, bedekt met sediment of samengedrukt ten gevolge van ontwatering (massale ‘veeninklinking’) die op haar beurt het gevolg was van menselijke activiteit (drooglegging) maar ook van nieuwe inslagen van water afvoerende getijdegeulen. De mariene invloed van de geulen werd er in deze getransformeerde gebieden nog groter door – door inklinking kon de dikte van veen tot 10% gereduceerd worden, waardoor het grondniveau ervan verlaagde en de invloed van het zeewater toenam – en dit bevorderde op haar beurt de afdekking van resterend veen met kleisediment. Het was met andere woorden de mens zelf die grotendeels verantwoordelijk was voor de ingrijpende transformatie van het landschap, door hier ofwel rechtstreeks op in te grijpen of door via haar activiteiten de deur open te zetten voor een intensifiëring van bepaalde natuurfenomenen.
Indijkingen waren dus geen exclusief privilegie voor slikke- en schorregebieden. Vandaar het onderscheid tussen eigenlijke polders en poldergronden in de betekenis van ontwaterde kleigronden. Met het vorderen van de tijd werd het onderscheid tussen poldergronden en polders nog vager, waardoor men beide meer en meer als concordant is gaan beschouwen. Deze evolutie werd nog bevorderd door een geleidelijk aan verbeterd dijk- en watertafelbeheer vanaf de vroegmoderne periode, waardoor de veraf gelegen binnendijken meer en meer hun water werende functie verloren. In den beginne waren de middeleeuwse polders vaak kleine poldertjes (veelal niet meer dan enkele tientallen ha groot), het gevolg van een geleidelijke inpoldering en herinpoldering door verschillende individuen en groepen.ii Daardoor was er een onregelmatig ‘spinnenwebachtig’ netwerk gegroeid van dijkjes en poldertjes, om bij dijkdoorbraak het achterland zoveel mogelijk te vrijwaren. Geleidelijk echter verloren die binnendijken dus meer en meer hun functie. Dijkbeheer werd grootschaliger en de grote zeedijken en kustverdedigingen werden betrouwbaarder. Vooral vanaf de twintigste eeuw werden binnendijken zelfs vaak niet meer onderhouden of verdwenen ze… Soms kunnen we hun relicten alleen nog terug vinden op luchtfoto’s of in een wegtracé. Waar ze nog bestaan is erfgoedbeleid vaak nog de enige reden voor hun conservering. In het Waasland zijn er trouwens nog vele binnendijken bewaard die hun oorspronkelijke functie verloren hebben, meer bepaald in Sint-Gillis-Waas, Kieldrecht, Verrebroek en Kallo. Een groot deel van Sint-Gillis is daarom zelfs als ‘ankerplaats’ (= uitgebreid gebied met veel relicten die naar het verleden verwijzen) aangeduid in de recent gemaakte zgn. ‘landschapsatlas’ van Vlaanderen.
3.2 Polders, dijken en ecologie
Een andere verwarring die rechtgezet dient te worden is dat polders en dijken per definitie geografisch samenvallen of samenvielen. Dit was zeker in de beginfase niet het geval. Vooral recent onderzoek heeft aangetoond dat de oudste dijken in de kustgebieden van de Lage Landen dijkjes of dijken waren die gelegen waren langs de getijdegeulen om de invloed van deze wateren af te remmen. Vaak waren het eerst ook zgn. winterdijken, die alleen het hoogste water tegen hielden. Slechts enkele bewoningssites legden een ronde ringdijk aan om hun nederzetting te beschermen. De oudste dijken waren dus niet bedoeld voor het maken van door dijken ‘afgesloten’ polders. Van dergelijke polders was in het begin nog geen sprake en evenmin van zgn. zeewerende dijken die parallel lagen aan de zee (of later de Schelde). Die verschijningsvormen dateren van veel later. Polders werden in principe meestal pas aangelegd vanaf de elfde-twaalfde eeuw, wanneer het water een grotere hinder ging vormen en de bevolkingsdruk in het gebied zodanig groot werd dat men meer nood had aan graan en dus aan akkerbouw. Soms leverde dat ook nog extra landwinst op, omdat zich naast de ‘zeewerende’ of ‘geulwerende’ dijken soms sediment nestelde (‘aanwas’) dat later ook kon ingepolderd worden… Op langere termijn leidde dat evenwel meestal tot landverlies, omdat men door die indijking ongetwijfeld onbewust een reeks ecologische problemen mee had veroorzaakt: veeninklinking door ontwatering; extra druk op het landschap door veenafgraving (verlaagd oppervlak); nog meer inklinking door het gewicht van sedimentatie; een verlies van natuurlijk overstromingsgebied voor de rivier (‘accomodation space’) waardoor het water hoger opstuwde met alle gevaren voor dijkbreuken van dien. Deze problemen creëerden een noodzaak om nog beter de dijken te onderhouden en dus de nood aan specifieke instellingen voor het onderhoud met stijgende kosten en een daardoor verarmende bevolking die de dijken niet meer kon onderhouden als gevolg. Rijke instellingen profiteerden daarvan om goedkoop gronden op te kopen, maar zij wilden vaak niet investeren in duurzaamheid ten gevolge van een te enggeestige korte termijn(winst)visie, met als gevolg dus nog meer overstromingen van die polders, die steeds kwetsbaarder werden… Dat er vanaf de veertiende eeuw in onze ecologisch zwak geworden of door de mens zwak gemaakte kustgebieden veel grote stormvloeden waren met grote schade voor gevolg is bekend en dus vermoedelijk niet louter aan natuurlijke fenomenen toe te schrijven! Pas in de zeventiende eeuw verminderde de frequentie van stormvloeden gestaag, ongetwijfeld deels door de groeiende investeringen in beter polderbeheer (zie volgende paragraaf). De mens was echter niet alleen als ‘kolonisator’ mee verantwoordelijk voor de het feit dat de polders ecologisch zwakke gebieden kunnen genoemd worden. In oorlogstijd profiteerde men van deze zwakte door gehele “poldergebieden” kustmatig onder water te zetten en dat vaak gedurende vele jaren. Heel bekend zijn de strategische dijkdoorbraken tijdens de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw, die vooral bedoeld waren om de vijand van diens voedselvoorraden te beroven. Vooral in het Westerscheldegebied hebben ze heel veel schade teweeg gebracht. In dat gebied hebben ze op lange termijn evenwel als positief effect gehad dat in de jaren na de onderwaterzettingen het gebied weer een getijdengebied werd en lokaal veel nieuwe klei is afgezet die na ontwatering en ontzilting tot zeer goede oogsten kon leiden. Zoals in dit boek in detail zal uiteengezet worden danken vele van de rijke poldergronden in Westelijk Zeeuws-Vlaanderen maar ook in het Land van Waas een deel van hun zeer vruchtbare bovenlaag aan die perfide overstromingen!
3.3. Polder en bestuur
In deze inleiding hoort nog een derde definitie waarin het woord ‘polder’ van belang is en die inhoudelijk en historische duiding vereist: de polder als bestuurseenheid. Inderdaad vanaf de dertiende eeuw werd de nood groter om de polderinfrastructuur niet meer te laten onderhouden door de boeren wiens gronden grensden aan de dijken, zoals dat eerder de algemene regel was, maar door instellingen waartoe iedereen bijdroeg die grond bezat binnen een polder of cluster van polders. In het laatste geval noemde men die bestuurlijke instellingen in Vlaanderen vooral wateringen of everingen en in Nederland waterschappen. Geleidelijk werd ook meer en meer de term ‘polder’ gebruikt als bestuursorgaan en synoniem voor ‘watering’. Het bestuur van de nieuwe indijkingen van de late middeleeuwen (vb. in het Westerscheldegebied) werd echter meer en meer met de term ‘polder’ aangeduid. Het was dus een beetje lokaal verschillend hoe men die bestuursorganen aanduidde. Sommige wateringen hadden betrekking op meerdere polders, maar vele ook maar op één enkele. Langs rivieren in het binnenland was de terminologie voor degelijk soort instellingennog minder éénduidig; daar sprak men ook van ‘broeken’ ‘dijckagies’, ‘polders’ etc… Buiten Vlaanderen gebeurde het wel dat er meerdere organen waren met bevoegdheden over dezelfde regio. In Zeeland en Holland was er vaak en apart orgaan dat zich bezig hield met de dijken (polders) en een ander met de afwatering (watering), maar daar zijn bij ons geen voorbeelden van. ‘ Polders’, ‘wateringen’, ‘broeken’ ‘dijckagies’, ‘everingen’ … ze sloegen hier meestal op hetzelfde type van instellingen. Het Ancien Régime is nu eenmaal geen periode waarin alles in regeltjes vast lag en de naamgeving éénduidig was! Het belangrijkste voor de tijdgenoten was dat men mekaar binnen dezelfde regio verstond! . Geleidelijk waren in de twaalfde tot zestiende eeuw die polder- of wateringbesturen meer en meer in handen gekomen van grote, aanvankelijk vaak religieuze instellingen (Ten Duinen te Koksijde, Sint-Pietersabdij Gent etc.), wat later eveneens de nieuwe adel en burgerij. Pas vanaf de zeventiende eeuw is die groep, die het meer en meer voor het zeggen kreeg binnen de wateringen/polderbesturen, zich bewuster geworden van het belang van een duurzamer beleid en van een beter onderhoud van de infrastructuur. Ook een betere techniek was hieraan niet vreemd, met bijvoorbeeld vanaf de late zestiende eeuw introductie van zgn. bemalingsmolens. Dit zijn windmolens die via een pompsysteem de watertafel naar beneden halen en waar grote delen van Holland, waar ze vaak bewaard zijn, zo bekend mee zijn. Dit leidde tot stabielere polders, vooral in het Westerschelde gebied. Toch konden vooral kunstmatige inundaties bij oorlogsperioden deze stabiliteit nog steeds aantasten. Zeldzame grote stormvloeden zoals die van 1953 in Zeeuws-Vlaanderen, toen in ook het Waasland het water tot Kieldrecht kwam, wezen er de bevolking ook in een relatief recent verleden nog op dat goed onderhoud vooral van de zeedijken fundamenteel blijft om droge voeten te behouden in het ‘poldergebied’.
Pas in de jaren 1950 werd er een duidelijken en nieuw onderscheid gemaakt tussen ‘ wateringen’ en ‘polderbesturen’, onderscheid dat tot vandaag van kracht blijft (weliswaar in 2003 aangepast aan het ‘decreet integraal waterbeheer’). Inderdaad, de wet van 5 juli 1956 stelt dat wateringen openbare besturen zijn die belast zijn met het openbaar waterbeheer in de regio’s buiten de (traditionele onder zeeinvloed staande) polderzones, dus veelal in een stroomgebied van een rivier, of een gedeelte daarvan. Tevoren was het onderscheid tussen polders en wateringen veel minder duidelijk.
4. Stabiliteit en evolutie
Hoe vredig en statisch de polderlandschappen er vandaag ook uitzien, in het verleden zijn deze landschappen dus doorlopend aan grote veranderingen onderhevig geweest. Maar behalve aan landschappelijke veranderingen vonden in de poldergebieden ook grote sociale en economische transformaties plaats. Hoewel ook al bewoond in de Romeinse periode, werden diezelfde regio’s in de eerste plaats in de middeleeuwen vooral vanaf de Karolingische tijd volop gekoloniseerd door vaak kleine zelfstandige boeren met een grote bevolkingsgroei voor gevolg en een ‘boom’ van inpoldering en veenwinning in de twaalfde en dertiende eeuw. Maar aan die groei kwam een einde vanaf de latere middeleeuwen. De algemeen Europese crisis maar vooral de ecologische problemen die we hierboven al kort bespraken lieten zich gevoelen! De ontginningen hadden ecologische gevolgen met zich meebracht die voor de kleine boeren niet houdbaar waren. Het infrastructuuronderhoud was te duur geworden en om aan de van dan af geregelde overstromingen het hoofd te bieden hadden ze geen geld. Ze verloren hun land aan rijke lui die er niet woonden en moesten nog meer betalen (in de eerste plaats een stevige pacht som). Alleen de rijkste boeren konden overleven. Vandaar dat de bedrijven er in aantal gestaag verminderden tussen de dertiende en de achttiende eeuw en de overblijvende steeds groter werden. Deze sociale veranderingen hadden op hun beurt dus ook landschappelijke gevolgen. Het ‘polderlandschap’ werd een landschap met verspreide bewoning en veel relatief grote statige hoeven, vaak met een prestigieuze brede walgracht erom heen, verschenen verspreid in het landschap. Binnendijken verloren gaandeweg hun water werende functie en het webachtige netwerk maakte plaats voor een open landschap. In tegenstelling tot wat men in het binnenland aantrof, waren de akkers er ook niet dikwijls omsloten met hagen. Er was in de polderregio veel minder nood aan brandhout dan in binnen-Vlaanderen, waar veel meer kleine boeren woonden die het brandhout rond hun akkers nodig hadden om te overleven. Wel was er in de polders meer nood aan hooghout. Dit had men er vooral nodig om grote gebouwen te zetten en te herstellen want tot in de achttiende eeuw was hout het belangrijkste bouwmateriaal op het platteland en sinds de zestiende eeuw was dat hout in de meeste plaatsen van West-Europa zeer duur geworden. Sommigen spreken zelfs van een ware houtschaarste (“timberfamine”). Vanaf de achttiende eeuw is men ook op de binnendijken vaak bomen gaan planten, veelal populieren die vanaf die periode algemeen verspreid geraakten in onze gewesten. Bomen op dijken gaven immers geen schaduw op de akkers. De aan belang verloren binnendijken kregen op die wijze opnieuw nut en het landschap kreeg haar voor ons zo “typisch” geworden bomenrijen! Hout was overigens ook nog op een andere wijze van belang voor de polders: men maakte er klompen van die men nodig had om comfortabel te kunnen werken in de vette poldergronden! De meeste klompenmakerijen in het Land van Waas vindt men vanaf die periode evenwel vooral aan de rand van de polders in de aangrenzende zandstreek (Vrasene, Nieuwkerken, Sint-Niklaas) die dan ook bekend werd voor industriële productie van klompen en zelfs uitvoer naar Holland. Zo speelden de polders dus niet enkel in op landbouweconomie maar ook, zij het onrechtstreeks en in beperkte mate, op (‘proto’-)industrie. Op sommige plaatsen langs de Schelde is men meer landinwaarts later andere bomen gaan aanplanten met nog ‘moderner’ bedoelingen. Zo werden in de twintigste eeuw in de regio Waasmunster langs de Schelde notelaars aangeplant die sterk gegeerd werden voor de industriële productie van pickles… Van transformaties gesproken!

Besluit
Bovenstaand verhaal is er dus één van verandering eerder dan van stabiliteit. Er kan moeilijk gesproken worden van “de polder”, maar eerder van meerdere polders afhankelijk van tijd, plaats en de betekenis die je aan het woord wil geven. Sinds recent is de grootste transformatie van het Wase poldergebied echter niet rechtstreeks meer het gevolg van de kracht van de getijderivier de Schelde, van ten dele mislukte pogingen van de mens om in te grijpen in een natuurlijk proces of van wijzigende lokale rurale sociaaleconomische structuren, maar van de uitbreidende industriële activiteit. De grote aanlegkanalen voor zeeschepen hebben het gebied totaal getransformeerd. Het (ondertussen vervuilde!) slib uit de Schelde werd in de tweede helft van de twintigste eeuw niet meer door natuurlijke krachten op het land geworpen maar door de grote baggermaatschappijen om er een stabielere ondergrond te maken voor de havenuitbreiding van Antwerpen. In uitvoering van het zgn. SIGMA-plan, dat onze gewesten dient te vrijwaren van toekomstige waterschade die het Scheldegebied nog in 1976 teisterde (Ruisvliet) en dat de milieuschade door de industrie aangericht enigszins wil herstellen, worden momenteel een reeks polders omgevormd tot natuurcompensatiegebied en gecontroleerd overstromingsgebied.
Naar aanleiding van deze laatste reeks veranderingen wil dit boek terugkijken naar de geschiedenis van deze Wase landschappen en naar hoe de vele bewoners, uitbaters en doorkruisers doorheen de tijd omgingen met “de polder(s)”. Voor de zones die weldra grondige veranderingen zullen ondergaan door industrie of natuurherstel betekent dit een vastleggen van een verdwenen of snel verdwijnende wereld. In het kader van de lange geschiedenis van de polders is dus weer een nieuwe fase aangebroken. De beperkte initiatieven om de natuur ten dele terug zijn gang te laten gaan via ontpoldering van de respectieve Hedwigepolder en de aangrenzende Prosperpolder, kunnen eerder kunstmatig van aard genoemd worden en kunnen daarom niet als erfgoed- noch als natuurherstel maar eerder als (artificiële) natuurbouw worden beschouwd. De natuur herstellen zoals hij was is zo goed als onmogelijk. Daarvoor heeft de mens ook vroeger er teveel zijn invloed op uitgeoefend en zijn de omstandigheden te veel veranderd. De industrie een halt toeroepen lijkt in de gangbare economische visies van vandaag evenmin een optie. Veeleer zal men m.i. in de toekomst moeten trachten om wat nog over blijft van het historisch polder- en geulenlandschap een plaats te geven als landschappelijk erfgoed binnen een veranderende wereld. Het historische landschap waarderen als waardevolle getuige van het verleden en van een hele geschiedenis die eraan verbonden is, ook dat is een doel van vele recente Europese verdragen. Moge dit boek mede daarvoor een goede gids zijn1.
Prof. dr. Erik Thoen, gewoon hoogleraar, Universiteit Gent.

Beknopte bibliografie:

1 Met bijzondere dank aan Tim Soens en Bart Ooghe die me zeer nuttige aanmerkingen en verbeteringen suggereerden.

Augustijn, B., De veenontginning (12de - 16de eeuw). (Reeks: Geschiedenis van volk en land van Beveren) Gemeente Beveren, Beveren, 1999.
Bazelmans, J, Weerts H., van der Meulen, M. , eds., Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Bert Bakker, Amsterdam, 2011.
Van de Ven, G.P., red., Leefbaar laagland, Matrijs, Utrecht, 1993.
Tys, D., 2003. Een middeleeuws landschap als materiële cultuur: de interactie tussen macht en ruimte in het kustgebied en de wording van een laatmiddeleeuws tot vroegmodern landschap. Kamerlingsambacht, 500-1200/1600. Onuitgegeven proefschrift Vrije Universiteit Brussel.
Soens, T., De spade in de dijk? Waterbeheer en rurale samenleving in de Vlaamse kustvlakte (1280-1580) (reeks: Historische Economie en Ecologie), Academia Press, Gent, 2009.
Thoen, E., Borger, G., de Kraker, A., Soens, T., Tys, D. en Weerts, H., eds., Landscapes or seascapes? The evolution of the marine landscapes in the North Sea Area, (reeks: CORN Publication Series, n° 13), Turnhout, Brepols Publishers, in druk.
Thoen, E., Inleiding tot historische geografie. Onuitgegeven cursus, UGent, 2011.
Landschapsatlas van Vlaanderen: zie http://geo-vlaanderen.gisvlaanderen.be/geovlaanderen/landschapsatlas/

I
Paarden in de polder

In de polder kreeg het paard een ereplaats.De Flandrien was gekend sinds de middeleeuwen.het kon tot 200kg. dragen wat vooral nuttig was voor de ridders. Robrecht van Artois sneuvelde te Kortrijk op een Flandrien.
Maar het was vooral een degelijk trekdier voor het werk op de akkers en voor het vervoer.Ook inde haven van Antwerpen waren het onmisbare trekkers. Veel van deze paarden werden gekweekt in de polder.
Op het toppunt van zijn roem was de Flandrien ook een exportproduct naar Amerika (via de emigranten).
Het is vanuit Amerika dat liefhebbers in Vlaanderen het terug invoerden.
Een andere activiteit was het rijpaard en het sportpaard.
De polderboer pakte hier graag mee uit,het gaf hem status niet alleen door het dier maar ook door de pracht van de koets.
De wekelijkse tocht naar de kerk voor de zondagmis was hiervoor een mooie gelegenheid.