Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland

 


 

Het deltagebied van de Schelde zag er in de vroege Middeleeuwen heel anders uit dan de stroom zich geografisch nu voordoet.
Tot rond de jaren 1250 liep de dalweg van de Schelde ten noorden van Walcheren en Zuid-Beveland en hetgeen we nu de Westerschelde noemen was toen de "Honte", een ondiepe geul, welke zich tussen schorren en moerassen, over een hoge drempel, naar de Noordzee wendde.
Saeftinge wordt voor het eerst vermeld in een akte van verdeling door Lodewijk de Vrome in 821, samen met Axel en Temse.
De aanleg van de eerste dijken, die gelet op de vermelde hydrografische toestand niet zo stevig en hoog moesten zijn werd aangevat door de cisterciënzerbroeders van de abdij "Ter Duinen", in de XIII eeuw.

 

 

Het Land van Saeftinghe was in de late Middeleeuwen een gebied van welvarende polders, waarin verschillende dorpen lagen.
Het gebied bereikte zijn grootste omvang omstreeks 1350.
De belangrijkste bestaansvormen waren landbouw en het zogenaamde moerneren (het winnen van turf).
Deze turf werd als brandstof gebruikt en er werd zout uit gewonnen.
Als gevolg van de ligging op het punt waar Honte en Schelde samenvloeien, was de streek bijzonder kwetsbaar voor stormvloeden.
Er lagen 4 dorpjes in de heerlijkheid (de vrije Vlaamse heerlijkheid), Saeftinghe, Namen, St. Laureins en Casuwele.
Tijdens de Allerheiligenvloed van het jaar 1570 liep het grootste deel van de polders onder water.
Vier jaar later sloeg de zee echt toe en reikte het "Verdronken Land" tot bij de plaatsen Beveren, Verrebroek en St. Gillis in België.
Het dorp Saeftinghe en nog enkele andere stukken bleven behouden.


In 1584 (de Tachtigjarige Oorlog) staken de soldaten van de Nederlanden de laatste intact gebleven dijken door, waardoor de totale vernietiging van de heerlijkheid en een deel van noordoost Waasland een feit geworden was.
Later is men opnieuw begonnen met inpolderen.


De laatste polder die bedijkt is, is de hertogin Hedwigepolder, voltooid in 1907.
Wat nu nog over is, is een oppervlakte van ongeveer 3500 hectare, bestaande uit schorren en slikken. Het gebied is doorsneden met honderden grote en kleine geulen.


De 3 hoofdgeulen zijn: Speelmansgat, IJskelder en Hondegat, deze geulen vertakken zich naar de dijk toe steeds verder, totdat ze uiteindelijk doodlopen.
Tweemaal per dag lopen deze geulen helemaal vol.
Het Verdronken Land van Saeftinghe is het grootste brakwatergebied van West-Europa.
Het water is ongeveer half zo zout als zeewater. Het aantal vogels dat hier overwintert, loopt in de tienduizenden.
Veel geziene gasten zijn de wilde gans, de smient en de pijlstaarteend.
Zelfs de zeer zeldzame zeearend en grauwe kiekendief tref je er soms aan.
De flora is geheel aangepast aan het brakke water.


In de lage kommen, die bijna elk getij overstromen, treft men Engels slijkgras, zeekraal en riet aan.
Het Engels slijkgras is in de twintiger jaren ingevoerd uit Engeland, om de landaanwinning te bevorderen.
In de hogere kommen groeit vooral schorrezoutgras, kweldergras, zeebies en zeeaster.
Op de hoger gelegen delen overheersen strandkweek, spiesblad- en zoutmelde, terwijl op de allerhoogste gedeelten ronde rus en melkkruid voorkomen Om de verruiging van de begroeiing tegen te gaan worden de schorren beweid met runderen.
Er bevindt zich ook nog één, buitendijkse gelegen, schaapskooi in het gebied.


 


 

 

  • Het kasteel van Saefthinge:

    Het kasteel lag op een zeer kwetsbare plaats en had veel te lijden van stormvloeden.
    De dijk bij het kasteel brak bij elke stormramp die de streek teisterde door, en overstroomde de nabijgelegen gaanderijen.

 







Monumentale mooie schuur op de weg naar Emmahaven.