Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland





Plaatsbeschrijving

Kieldrecht ligt in het hartje van de polders van het Waasland en maakt(e) deel uit van het Land van Beveren. Het dorp wordt in het noorden en het oosten begrensd door Doel, in het zuiden door Kallo en Verrebroek, in het westen door Meerdonk en in het noord-westen door het Nederlands dorpje, Nieuw-Namen.
Het dorp ligt tussen 2 en 4 meter boven de zeespiegel, en op een 5 tal kilometers van de Schelde.
Net zoals bij de andere polderdorpen, gewonnen op de zee, is de geschiedenis van Kieldrecht terug te vinden tot in de 10e eeuw.

Oude scheldedijk in de Kouterdreefstraat en omgeveing

Het grondgebied is van de jaren 800 terug te vinden, doch de naam van de gemeente verschijnt pas in de oorkonden vanaf de 13e eeuw (1238), wanneer de vrouw van Beveren aan de bisschop van Doornik de haar toebehorende tiende te Kieldrecht afstond, om er een nieuwe kerk mee te bouwen. Wellicht ging het hier om herstellingen aan de kerk na de overstroming van 1170 of 1175.
Het grondgebied van Kieldrecht bedroeg in de 13e eeuw 1813 hectaren en werd ingedeeld in 6 wijken : Dorp, Kouter, Kreek, Oud-Arenberg, Nieuw-Arenberg, Prosperpolder.
De enige belangrijke waterloop in het dorp was dientijde "De Geule", die nu ontspringt in de Grote Geule of Sint-Jacobsgat nabij Sint-Gillis en die uitmondt via de Melkader van Kallo in de Schelde.
De waterloop was zeer visrijk.
Het bevolkingsaantal was steeds zeer laag. In 1408 telde men 975 inwoners, inbegrepen de bewoners van Doel, die tot begin 19e eeuw tot Kieldrecht behoorden. In 1786, bij een eerste officiële telling, had men te Kieldrecht 1254 inwoners. Het bevolkingsaantal groeide geleidelijk aan zodat men in 1876 3078 inwoners telde.
Tot in het begin van de 19e eeuw was Kieldrecht een klein vissersdorp dat tot voor 1805 bij iedere overstroming gedeeltelijk kwam onder te staan. Deze overstromingen zorgden ervoor dat de ontwikkeling van Kieldrecht gedurende een hele tijd werd tegengehouden.




 

Wijken en gehuchten:
Dorp, de Kouter, de Krekelmuit, de Oude en Nieuwe Arenberg- en de Prosperpolder.
Vroeger was Kieldrecht moeilijk te bereiken, doch door de aanleg van de provinciale baan naar Sint Niklaas, de Kasseiweg van Kieldrecht naar
De Klinge, de steenweg naar Doel en de kasseiweg door de oude Arenbergpolder naar Kallo was dit verholpen.




Gemeentewapen
Een van de oudste zegels der gemeente, destijds Heerlijkheid Kieldrecht-Doel is het zegel van de Schepenbank ca. 1632. Hierop stond reeds het schip, de twee Franse lelies en het wapen van het land van Beveren.
Het wapenschild van Doel en Kieldrecht was sedert 1632 gelijkvormig en ongewijzigd voor de twee gemeenten. Op het gemeentewapen van Kieldrecht, bekrachtigd bij KB van 26 januari 1849, staat door de overvloedige visvangst in vorige eeuwen in dit dorp, een vissersschip.
De gemeente Doel, dat tot 1847 onder Kieldrechts bestuur stond, kreeg bij zijn zelfstandigheid hetzelfde gemeentewapen. Om onderscheid te maken werd op het gemeentewapen van Kieldrecht een K aangebracht en voor Doel een D. De heraldische beschrijving luidt : "Een kogschip in natuurlijke kleur op een zilveren veld, voerend uit rechts een zilveren wimpel met rode dwarsbalk, het schip midden twee blauwe schildjes, met gouden lelies, bekroond met de zwarte letter K".

Onderwijs
In de volksscholen kregen de kinderen godsdienstkennis, lezen en schrijven en rekenen.
Het eerste onderwijs in het Land van Beveren is terug te vinden in de 2e helft van de 14e eeuw in Melsele.
De pastoors van de verschillende dorpjes hadden de opdracht om voor een school van volkskinderen in hun parochie in te staan. Toch verschilde dit van dorp tot dorp, ook armoede en oorlogsomstandigheden waren geen gunstige voedingsbodem voor het onderwijs.
Zo heerste er in Kieldrecht tijdens de 14e en 15e eeuw een tijd van instabiliteit. Overstromingen, godsdiensttwisten zorgden voor het weg- en weer vluchten van vele bewoners. Toch moet er in Kieldrecht, ook al woonden er zeer weinig mensen, behalve uitgezonderd de militaire bezetting, in 1641 een schooltje geweest zijn met een goede schoolmeester.
In 1681 hadden we 1e schoolmeester Aegidius Janssens. Een schoolgebouw bestond niet viiár 1640. De leerlingen, van alle leeftijdsgroepen, kwamen in een kamer samen, meestal in het huis van de schoolmeester zelf. Er was geen eenvormig leerplan of didaktisch materiaal.
De schoolmeester leefde van de bijdragen van de leerlingen en soms geld van openbare besturen of kerkfabriek.
Toch dit was niet veel (van de leerlingen) zodat ze meestal een tweede ambt uitoefende, zoals koster, kapelaan, klokkenluider, ...
Het onderwijs dat ingericht werd tussen 1300 en 1700 gebeurde door de Kerk. Toch werd aan de rechtgelovigheid van de schoolmeester veel belang gehecht, zowel de wereldlijke als geestelijke overheid controleerde hem qua boeken en onderricht. Vele scholen gaven in de winter les en in de zomer werkten ze mee op het veld.
Over deze periode weet men echter niet hoeveel kinderen school liepen en of het meisjes of jongens waren. Wat de kinderen op school zagen, is ook niet geweten.



Moeren
De moergronden in onze polders werden in de 13e en 14e eeuw zeer intensief ontgonnen. De verkoop van turf en de verpachting van veengronden leverde hoge winsten op. Wat is turf ?
Turf, in de huidige betekenis van het woord, is gedroogd veen. In de middeleeuwen was "een turf" een turf blokje ter grootte van +1- een baksteen, en er gingen 10.000 turven in één last turf (= 3 m3).
Turf was niet alleen de middeleeuwse brandstof bij uitstek, maar er werd ook zout uit gewonnen door verbranding. De turf werd geleverd voor brandstof in de haarden van de gewone man, alsook van kastelen, abdijen, ... Het zilte veen werd ook gebruikt voor winning van zout in de zoutketen. Deze "zoutketen" of zoutwinningsplaatsten waren gevestigd aan de rand van de grote moeren. Het zout werd uit de zwavelachtige veensoort gestookt door de veenstekers die veelal in dienst werkten voor een zouthandelaar die zorgde voor transport en verkoop.
In het begin van de 14e eeuw, en hoogstwaarschijnlijk reeds in de tweede helft van de 13e eeuw, begon de heer van Beveren zijn veengronden te vercijnzen en te verpachten. Dit ging samen met een systematische verkaveling van de gronden en met het graven van een net van moerleden.
De Stekense Vaart (Stekene-Hulst) werd in 1315 speciaal voor het vervoer van turf gegraven. Men haalde hier jaarlijks duizenden lasten turf uit, die dan naar de grote steden Gent, Brugge en Antwerpen werden gevoerd langs kleinere waterwegen of langs de haven van Tervente (Schelde).

De bekende grote stormvloeden van het einde van de 14e eeuw en het begin van de 15e eeuw hebben de turfproduktie slechts kortstondig kunnen remmen. In 1374 werden in de haven van Tervente 450 schipvrachten geladen. In het drassige gebied was de waterweg voor min of meer grote vrachten, de meest geschikte.
De moeruitbating werd de grootste bron van inkomsten voor de heer van Beveren en van de welvaart voor deze streek. Op de rand van de moeren breidde de bevolking zich uit met delvers en vletters (= vervoerdersturf), eigenaars en kooplieden. Nieuwe gehuchten ontstonden in onze streek. Meerdonk ontstond als gehucht van Vrasene en Verrebroek werd het voornaamste centrum in het moergebied. Zijn bevolking lag toen zo hoog als op heden en bedroeg bijna zoveel als het toenmalige Beveren.

De Kreek van Kieldrecht

Het kreken- of geulenstelsel langs de linker Scheldeoever heeft zijn ontstaan te danken, enerzijds aan historische transgressies en anderzijds aan de natuurlijke en de kunstmatige overstromingen die het Scheldegebied vanaf de 14e eeuw teisterden.
Bij de dijkdoorbraken kwamen de Scheldepolders in open verbinding te staan met de getijrivier. Het water stroomde met grote snelheid bij opkomend getij door de geslagen bressen de polder in, binnendijks brede en diepe geulen vormend. Wanneer de herindijkingen op zich lieten wachten en de polder geruime tijd geinundeerd bleef, werden de gevormde bressen door de herhaalde getijbewegingen uitgeschuurd, de geulen verlengd en diep het polderlandschap uitgesneden totdat een vertakt geulenstelstel ontstond. Bij afgaand getij schuurden de kreken nog uit. Naarmate de aanslibbing vorderde verkleinde het berginsvolume van de polders en verminderde de snelheden in de kreken. Hierdoor gingen, door geleidelijke afname van hun kapaciteit, de kreken van opwaarts naar afwaarts verzanden. Bij brede en diepe geulen duurde het verzandingsproces vrij lang. Eer de geslagen bres door aanzanding volledig gesloten werd, verstreken soms honderden jaren. Wanneer de mens deze bressen bij indijking vroegtijdig ten opzichte van dit verloop dichtte, verzandden de kreken niet volledig en bleven als natte depressies in het landschap achter.
Over het tijdstip en de oorzaken van het verdrinken van het Land van Saaftinge bestaan verschillende theorieën. Voor sommigen is het Land van Saaftingen reeds verloren gegaan bij de overstroming van 1530. Anderen stellen 1532 voorop of de Allerheiligenvloed van 1570.
Wel kan aangenomen worden dat vanaf 1530 een toestand werd geschapen die tot het definitief verlaten van het Land van Saaftingen geleid heeft.
Alle oude kaarten getekend na de strategische inundaties vermelden de Geul van Saaftinge met als zuidoostelijke vertakking, de kreek van Kieldrecht. De kreek van Kieldrecht werd reeds vermeld in het octrooi van 3 september 1431.
Kaarten van v66r 1585 laten echter niet toe uit te maken of bedoelde ader een zelfstandige en afzonderlijke kreek was ofwel reeds een aftakking van een geul (De Geul van Saaftinge).


In 1971 ging de gemeenteraad in op een eerste notie om initiatieven te nemen en voorstellen te doen tot het ongerept behoud van "De Kreek".
Op 29 augustus 1972 droegen de eigenaars van "De Kreek" (familie Bosselaers-Mathieu) voor 29 jaren het beheer van de Grote Geule over de Koninklijke Vereniging van Natuur en Stedenschoon.
De Kreek ligt ten zuid-westen van het dorpscentrum, ten westen van de baan Sint-Niklaas-Kieldrecht. Zij maakt deel uit van de Grote Geule, van de Noordelijke Watergang die doorheen Konings-Kieldrechtpolder en verder Kallopolder loopt, om in de Melkader te belanden. Het zonegebied van de Grote Geule heeft een oppervlakte van 2600 ha. Aan de oostkant van de baan Sint-Niklaas-Kieldrecht zijn in deze geul nog aan te stippen de Kleine en de Grote Weel. De diepte van de Grote Geule is op sommige plaatsen 2 m maar op andere is de geul doorwaadbaar. De Kleine Weel heeft de grootste diepte : 5 à 6 m. Als deel van de Noordelijke Watergang speelt de Grote Geule een rol in de afwatering, vooral van de noordelijke en westelijke polders.

De Kerk:
De oudste vermelding van een kerk in Kieldrecht was het jaar 1258, toen de vrouw van Beveren aan de bisschop van Doornik haar tiende afstond om er de kerk mee te herstellen (mee nieuw te bouwen).
De bisschop van Doornik, Walter de Marvis, duidde omtrent 1240 de grenzen aan van de geestelijke parochie Kieldrecht.
In die periode met de strijd tussen de Spanjaarden en de Nederlanden (1584, belegering van Antwerpen tot 1665) diende ze als fort, versterking van de Staten der Verenigde Provinciën. Door buitengewone belastingen, geïnd door de geestelijkheid en wethouders van Kieldrecht, trachtte men na de trijd het gans vervallen kerkgebouw terug te herstellen tot het stipt noodzakelijkste. Wat te zien is op verschillende kaarten van Kieldrecht uit de 17e eeuw. De kerktoren eindigd vierkant, zonder spits.
In 1712 werd de kerk afgebroken en door een nieuw gebouw vervangen, dat in 1784 vergroot werd en in 1788 van een vierkante toren (zonder spits) werd voorzien.
De laatste herbouwing dateert van 1854 (hierbij werd op 2 januari 1855 een gedenksteen geplaatst achter het koor). Evenals de oude kerk, staat de nieuwe op de uitkant van het dorp, op de dijk van Kieldrechtpolder.
De kerk werd in 1855 op 3 mei ingewijd door bisschop Delebecque, onder de patroonheilige Sint-Michaël. Bouwkundig is de kerk niets bijzonders.
Ze bestaat uit een ruim, schoon schip met 3 beuken en 3 altaren in een stijl, met gotisch als grondslag. De middelste beuk is zeer breed.
De Kalvarieberg (Christus tussen de 2 moordenaren) is een schilderij uit de 17e eeuw, vermoedelijk van Marten de Vos en hangt boven het hoogaltaar en verbeterd in 1862. Ongelukkiglijk zijn in de loop der jaren aan het dak stukken gezet, die het waarlijk niet verbeterde.
Het tabernakel, in hout is zeer fraai gesneden. Naast het altaar prijken de beelden van de Heilige Antonius en vanSt. Barbara.
Aan het koor staat een klein beeld van de H. Gerulphus, tafeleren van de 12 apostelen en een oud schilderij met de H. Familie (vermoedelijk een kopie van een meesterwerk). Een zeer oud stuk is de "H. Fanciscus in aanbidding". Boven het rechter zijaltaar, nu toegewijd aan St. Elooi, hangt in de oude kerk het beeld van H. Sebastiaan als beschermeling. Daar hangt eveneens het gildewapen van de handboogschutters. Naast dit altaar staat het beeld van St. Michiel met de draak. Op het linker zijaltaar staat het pleisteren beeld van Onze Lieve Vrouw.
De predikstoel dateert uit de 18e eeuw. Onder de kuip staat het houten beeld der H. Kerk, bovenop het beeld van de aartsengel Michael.
Aan de kuip zijn 3 bas-reliëfs : H. Petrus, die de sleutels ontvangt; de Zaaier en de Goede Herder. Het houten muurschot, afkomstig uit de oude kerk, is versierd met medaillons van de 4 Evangelisten en de 4 kerkleraars : Gregorius, Ambrosius, Augustinus en Hieronymus.
In oude geschriften is er eveneens sprake van het schilderij "Onze Lieve Vrouw van den Rozenkrans, met het kind Jezus". Goed nageschilderd naar Rubens, doch dit werk moet overklad zijn.
De communiebank is van fraai snijwerk voorzien, van de hand van De Preter. Het orgel dateert van 1874 en komt uit Geraardsbergen.
In de sacristy bevindt zich een koperen offerschaal uit 1684, met het opschrift "Vreest Godt, en onderhoudt zijn ghebodt".
Verder is er in de kerk een prachtig misboek beslagen met zilver, waarop vermeld staat : "Gegeven door den coster Joannes Chryst van Geluwen".
Op de achterkant staat het beeld van St. Michael.
De broederschappen in de kerk van Kieldrecht waren :
- St. Elooi (tegen de veekwalen uit 1724)
- H. Rozenkrans (1825)
- Zoeten Naam Jezus (1837)
- H. Schapulier (1848)
- O.L.V. van Bijstand
- H. Hart van Jezus
- Congregatie van O.L.Vrouw,
De kerk heeft een klok (gegoten in 1805) en een schel, die luidt bij dopen en begrafenissen van kinderen.
Bij het herbouwen van de kerk in 1854, trof men op +1- 7 voet onder de grond, 12 zerkstenen aan uit de 16e eeuw, voorzien van goed bewaarde geschriften en welke dienden tot een soort van waterleiding. De meeste graven bevatten de stoffelijke overschotten van leden der geslachten van Steelant en de Hondt. Dit waren zeer aanzienlijke en bekende mensen in de streek, die leefden tussen 1542 ­1576 (vermoedelijk afgevaardigden van Filip de Schone). Deze zerken staan nu in de buitenmuren van de kerk. Ze dragen wapens en een hond die naar een schip zwemt waar nog twee honden op voorkomen. Op de vier hoeken prijken de zinnebeelden van de evangelisten.
  • Cornelius Maes filius Cornelius, Capelaen van
  • Kieldrecht (+7 meert 1542)
    Middendeel van steen is versierd met een kelk.
  • Berbera Thoons, fa Peters, huisvrouwe van Jan Braem (+6 november 1575)
    Op het middendeel staat het wapen van Kieldrecht.
  • Hubrecht de Hondt, erfparochiaan dezer kerk (+8 mei 1552)
    Op deze steen stond vroeger een gegraveerde koperplaat.
  • Jan Herman, filius Jacops (+10 mei 1575)
  • Antonius de Hondt, filius Pieters (+7 september 1575) Op het middendeel prijkt het gemeentewapen.
  • Bernaer de Hondt, filius Pieters (+19 juni 1569) Op het middendeel prijkt het gemeentewapen.
  • Geleysabeth van Steelant, huisvrouwe van Antonius de Hondt (+7 meert 1576)
    Te midden van de steen staat het familiewapen van de overledene en een spreuk.
  • Kateleina van Steelant (+4 juli 1575) Voorzien van familiewapen
  • Baltasina van Steelant, filia Jaspers (+12 augst 1575)
  • Adriaen Gerdts, filius Willems (+22 september 1560) en Cateleina Gerdts, zijn dochter (+21 july 1574)
  • Cornelius van Goethem, filius Claus (+22 meert 1542)
  • Cornelius Reylof (+1565 den...) en Berbera Vyncks, zyne huisvrouw (+13 meert 1565).
  • Niet ver van de plaats waar men de zerken vond, vond men ook muntstukken, gouden kerksieraden. Bij de verbouwing van de kerk in 1854 vond men onder de grond op de plaats waar het koor stond het lijk van een priester met zijn priestersklederen en kerkgewaad nog aan (vermoedelijk Jacobus De Vos, begraven in 1574).
    Kieldrecht als geestelijke parochie was vroeger veel uitgestrekter dan nu : Nieuw-Namen en Clinge maakten hier in 1859 deel van uit.
    Aanvankelijk (12e eeuw) behoorde Kieldrecht tot het bisdom van Utrecht. In 1690 had Kieldrecht geen pastorij. De toenmalige herder wendde zich tot de hertog van Arenberg en vroeg hem een stuk grond om een pastorij op te bouwen in Kieldrecht. Tot de oorlog (1914-1915) betaalde de gemeente een cijns op deze grond aan het huis van Arenberg. Het oude kerkhof werd in 1855 vervangen door een kerkhof, gelegen buiten de kom van de gemeente, langs de Polderdijk.

    Kapellen:
    - Molenstraat : Sint-Antonius (1835) gesticht door PF De Wolf en huisvrouw MLB Haen
    - Singel : H. Rochus (1867) gebouwd tijdens het woeden van de cholera
    - O.L. Vrouw (1858) waar vroeger de tiende schuur van de pastorij stond

    Pastoors:
    Jan Braem, 1333; Franco Keddekin, 1453;Willem van Beeringhen, 1521; Dordois, 1529; Jan de Mera, 1536; Huibrecht de Hont, 1552; Willem Everaerts, 1567; Hendrik van Hese, 1656; Jacob-Engelbert Backhuysen, 1657; Willem de Visscher, 1675; Jan de Visscher, 1680; Bernaard van der Gucht,
    1696; Michiel van den Houte, 1704; Jan van Bremeersch, 1706; J-B Lippens (Lissens ?), 1720; Joost Moens, 1722; Pieter Lanneau, 1740;
    J. Reyniers, 1746; P. van Damme, 1778; Frans Segers, 1798;
    Frans Walles, 1804; J.B. Varendonck, 1813; J. Dierick, 1824; Cornelis Staes, 1845; C. L. de Wolf, 1877; J. Roggeman, 1908; Em. Tack, 1924;
    K. De Meulemeester, 1931; Frans Huyghe, 1951; Van Achter R., 1958.

    Overstromingen, geschiedenis en bezetting:
    Westerschelde:
    Volgens Schramme bestonden de polders Kieldrecht, Doel, Verrebroek en Kallo reeds voor de overstroming van de Schelde in 1175.
    Vanaf de tweede helft van de 3e eeuw tot de 7e eeuw na Christus deed zich de Duinkerke II transgressie voor.
    (De Duinkerke I transgressie (= overstroming) van de 2e eeuw vddr tot de 1 e eeuw na Christus heeft zich in onze streken maar weinig laten gevoelen doordat de Schelde nog niet in verbinding stond met de zee). Door deze transgressie vormde zich rond 500 na Christus de Oosterschelde. Vanaf dat moment lieten de getijden zich in onze streken voelen, zij het dan slechts bij stormvloeden, zodat ons dorp gevoelig werd voor overstromingen.
    De echte zeegetijden (eb en vloed) lieten zich meer en meer gelden na de Duinkerke III transgressie in de 11e en 12e eeuw.
    Pas dan werd de Honte of Westerschelde gevormd. Hierdoor drong zich de aanleg van dijken op, teneinde onze gebieden tegen overstromingen te beschermen. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw werden eerst zomerdijken aangelegd ter bescherming van het in de zomer buiten grazende vee. Men had de schorren nog geen feitelijke inpoldering gegeven, want de zomerdijken werden tijdens de winterperiode overvloeid, waardoor een natuurlijke bodemvegetatie ontstond voor de volgende zomer.
    Saeftinge was voor 1260 reeds ingedijkt door de abdij van Ter Doest. Rond 1260 laat Margaretha, gravin van Vlaanderen, het fort Saeftinge bouwen. In 1305 kende het dorp wederom een overstroming en de troepen van Willem van Holland staken in de oorlog met Robrecht van Bethune (graaf van Vlaanderen van 1273 tot 1322) het dorp in brand.
    De gemeente Kieldrecht, die vanaf 1238 in oorkonden voorkomt, groeide aan, doch op 23 november 1334 (Sint-Clemensvloed) braken de dijken rond de gemeenten Doel, Kieldrecht en Kallo en heel dit gebied kwam onder water te staan. Nog datzelfde jaar gaf Lodewijk van Nevers (kleinzoon van Robrecht van Bethune en graaf van Vlaanderen, Nevers en Rethel van 1322 tot 1339) de opdracht om deze poldergemeenten in te dijken.
    Ieder die van deze indijking voordeel zou hebben, moest helpen en bijdragen, opdat de dijk sterk genoeg zou gemaakt worden om het land droog te houden. Deze drooglegging verliep zeer traag en 1353 was de herindijking uiteindelijk voltooid. Deze indijking nam zoveel tijd in beslag door de strijd die toen bestond tussen de Vlamingen en Frankrijk en de economische moeilijkheden die voortspruiten uit het conflict rond de koningskroon van Frankrijk. Deze feiten verdrongen de indijking van de polders erg op de achtergrond.
    Het dorp bleef echter de volgende jaren niet van deze natuurrampen gespaard (1357, 1363, 1366, 1376).
    Lodewijk van Male (zoon van Lodewijk van Nevers en graaf van Vlaanderen van 1346 tot 1384) zorgde in 1376 voor de verdere ontwikkeling van het dorp. Door zijn vrijverklaring van het recht van inkomelingschap en van alle schalkerijen, wilde hij meer mensen naar deze streek lokken en de bewoners van de nieuwingedijkte polders aanmoedigen. De overstroming van 16 november 1377 (St. Maartensvloed) was rampzalig. Door de nalatigheid der besturen van dijken en sluizen werden 19 dorpen van de kaart geveegd en 50.000 mensen verloren het leven. In 1404 kwam het gebied tijdens de St. Elisabethvloed wederom onder water te staan. Jan zonder Vrees, graaf van Vlaanderen, gaf hulpgeld om het dorp terug te herstellen.
    In de nacht van 18 november 1424 werd het dorp weer herschapen tot een uitgestrekt meer, met het gevolg dat het grootste deel van de bevolking tot de bedelstand verviel. In 1429 was het water weer eens voorgoed weggedreven en de nodige dijken en herstellingen waren aangebracht door Philips de Goede (graaf van Vlaanderen, zoon van Jan zonder Vrees). In 1431 verkocht Philips de Goede de schorren buiten de bedijking rond Kieldrecht, Verrebroek en Kallo. Dit gebied gaf na indijking een vermeerdering van de vruchtbare grond. Zo ontstond na deze indijking in 1431 Kieldrechtspolder, in 1444 Sint-Antoons-Zuidpolder of Haendorppolder en in 1448 de Sint-Antoons-Noordpolder.
    Een grotere vijand bedreigde echter de streek : oorlog. Nog erger dan een overstroming zal zij onze streek verwoesten en de mensen in gevaar brengen. In 1484 doen de Antwerpenaren een inval in onze streek om het fort van Kallo van Maximiliaan van Oostenrijk (die zich verdedigt tegen de Vlaamse steden) te ontnemen.
    Eén van de schadelijkste overstromingen in Kieldrecht in de 16e eeuw was die van 5 november 1530 (St. Felixvloed).
    Vele buurtdorpen en polders werden overspoeld.
    Het plakkaat van Karel V van 23 mei 1531 betreffende indijken en herindijken van de polders, weldra gevolgd door het plakkaat op het onderhoud van dijken en duinen en hun beveiliging tegen beschadiging, kwam als gevolg op de overstroming van 1530. Het keizerlijk oktrooi van 28 november 1532 beval zelfs dat verafgelegen dorpen en steden zouden bijdragen in de bedijkingskosten van de overstroomde polders.
    De dijken moeten toch niet voldoende hersteld geweest zijn daar het volgende jaar wederom twee dijkbreuken terug aanzienlijke verliezen veroorzaakten.
    In 1567 werd op toelating van Philips II (Koning van Spanje) Doelpolder en Luyspolder (die in 1697 werd verlaten), nog drijvend door de vorige overstromingen, heringedijkt.
    De stad Antwerpen bouwde in 1582 het fort van Liefkenshoek. Onze polders zijn niet alleen een streek van water geweest, maar ze kenden ook het vuur van de oorlog. Wij lagen immers in een grensgebied en werden vaak als grens gebruikt. De krijgsgebeurtenissen uit 1583, namelijk de strijd om Antwerpen tussen de katholieke
    Spaanse machthebbers (Filips II) en het protestantse noorden (Willem van Oranje), met de inneming van Antwerpen door Alexander Farnese op de protestanten (1585), brachten de polders veel nadeel toe.
    De Antwerpenaren staken de dijken van Sint-Annapolder (Kallo), Haendorppolder en Kieldrechtpolder door. De Zeeuwen staken de dijken van Saeftinge door en de Spanjaarden veroorzaakten dijkbreuken in Doelpolder. Hiermee ging het laatste stukje vaste grond op de linkeroever van de Schelde eraan. De strijd om Antwerpen zou het hele polderland "met de zee" gelijk maken.
    Kieldrecht was één van de strategische plaatsen in het Farnese plan. Kieldrecht werd een schiereiland. Deze onderwaterzetting had tot doel de belegering van Antwerpen (1584 - 1585) door Farnese te verhinderen. De Spanjaarden namen het fort Liefkenshoek over van de Antwerpenaren en ze bouwden te Kallo een tweede vestingsplaats, fort Sint-Marie. Materiaal hiervoor werd gehaald uit heel het Waasland en Noord-Frankrijk. Op de rechteroever werd fort Sint-Filip gebouwd, zodat tussen deze twee forten een schipbrug kon gemaakt worden. De schipbrug werd op 25 februari 1585 voltooid. De brug werd door Antwerpse schepen tot tweemaal toe deels vernietigd. Antwerpen gaf zich op 17 augustus 1585 over aan de Spanjaarden. Een detail hierbij is dat Farnese steeds te Gaverland ging bidden om Antwerpen te kunnen verslaan. Doch fort Liefkenshoek kwam terug in de handen van de Hollanders, zodat er een protestantse druk kwam op de dorpen Kieldrecht en Doel.
    De Kieldrechtse kerk en de gebieden er omheen waren bezet door Spaanse soldaten. Voor de Scheldepolders was de balans na de strijd rampzalig. Het hele poldergebied ging verloren voor lange jaren, de bevolking trok weg na alles nodig tot het levensbestaan afgenomen te zijn, naar andere plaatsen in Vlaanderen en Brabant. Vele van deze polders bleven zelfs tot 70 jaar lang voor het grootste deel onder water te staan.
    De Kieldrechtse kerk, die op een hoogte gelegen was, werd herschapen tot een sterke vesting van de staten der Verenigde Provinciën (1659). De nasleep van dit gebeuren was voor tientallen jaren de zwaarste last die onze polders in hun geschiedenis hebben gekend. In de parochieregisters werden vele vreemde namen geboekt : Spaanse, Italiaanse, Duitse en Franse. Meerdere families dragen dan ook nu nog vreemd bloed in de aderen.
    In 1595 bouwde men op het grondgebied Kieldrecht en Meerdonk het fort Verboom. Behalve enige betrekkelijke onbeduidende droogmakingswerken, welke in de eerste jaren der 17e eeuw werden uitgevoerd, was het eerst in 1648 dat men met de herindijking der bevloeide polderlanden van Kieldrecht voorgoed begon. Eerst werden de Sint-Annpolder en de Luyspolder (Ouden Doel - 1650, nu een deel van Prosperpolder) gedeeltelijk ingedijkt. In 1648 begon men (tot 1654) met de indijking en verkaveling van Konings-Kieldrechtpolder (vredepolder, naar aanleiding van de vrede door het verdrag van Munster in Westfalen). Het octrooi dat aanleiding gaf tot de herindijking werd op 2 september 1649 verleend door Filips IV, Koning van Spanje. Vanaf dat moment werd Kieldrecht opnieuw bewoond en bestond de heerlijkheid uit 2 dorpen, nl. Kieldrecht en Doel. Het trace van de nieuwe baan Verrebroek-Kieldrecht werd getrokken en de lange Kieldrechtstraat kreeg in 1654 de naam "Molenstraat", met in deze straat de eerste vestigingen : de molen (verdwenen in 1910) en de afspanning "het oud-hospitaal" (nu eigendom van Declercq-Hageman). De Koningsdijk gaf de verbinding tussen fort Bedmar en fort Verboom. De oostelijke dijk van de Konings Kieldrechtpolder werd ten zuiden van Kieldrecht in haakvorm aangelegd, dit wegens twee aanzienlijke wielen die men niet had gedicht.
    Na die 70 jaar lange overstroming waren de dijken van de oude polder van Kieldrecht verdwenen, zodat ze niet meer werden heropgenomen in het landschapsbeeld van de Konings Kieldrechtpolder. Wat in 1655 op de kaarten van Kieldrecht wel voorkwam is de Kleine Geule. Waarschijnlijk is langs daar een bres geslagen in de Nieuwe Zeedijk en werd die afgesneden door de Kleine Vingerling en de Grote Vingerling, deze laatste dan aan de Grote Geule. Op 9 maart 1667 werd door Karel II van Spanje een octrooi gegeven tot indijking van de Oud-Arenbergpolder (welke de Haendorppolder, de Sint-Antoniuspolder en de oude polder van Kieldrecht omvatte). Doch in 1688, ruim 20 jaar na het verlenen van het octrooi tot indijking kwam de Oud-Arenbergpolder klaar. 20 jaar indijking daar het gebied in 1682 wederom onder water kwam te staan, net als de polders van Beveren, Verrebroek, Kieldrecht, Luys, Nieuwe en oude Doel, Kallo,...
    In augustus van hetzelfde jaar was de bres in de dijk van Kallo gedicht en de droogmaking van de polders, met uitzondering van de polder Luys, volgde weldra hierop. In 1684 en 1687 kwamen er dijkdoorbraken voor, nl. in de Kleine en Grote Kieldrechtpolder. Herbedijkingen grepen telkens het jaar van overstroming plaats. Na de verkaveling van de Oud-Arenbergpolder, trok men er de Haendorpstraat (Kleine Aren bergstraat), Sint-Antheunisstraat (Sint-Antoniusstraat), de Middelstraat en de Sint-Michielstraat in. De dijken waren de Kallodijk, Nieuwe Zeedijk (Oud Arenbergpolderdijk = Pillendijk).
    Op het einde van de 17e eeuw keerde een tijdelijke rust in het dorp terug. Dit nam niet weg dat men nog regelmatig soldaten moest logeren of leveranties moest opbrengen voor het onderhoud van de soldaten.
    Vanaf 1664 behoorden onze polders aan de Frans-Spaanse bezetters. Ze bezetten fort Verboom, het Spaanse fort Spinola en bouwden fort Bedmar. Tijdens deze Franse bezetting moesten de inwoners van Kieldrecht en Doel de wacht houden aan de Schelde tegen de oprukking van de vijand.
    Tot 1705 waren alle forten van Kieldrecht bezet door Franse soldaten, die alles behalve sympathiek waren bij de bevolking. In 1705 werden de Fransen ontwapend door de Nederlanders en ze verlaten fort Verboom. Pas na de zomer van 1706 zal de rust terugkeren.
    Op 3 maart 1715 had Kieldrecht wederom te kampen met een overstroming. In 1729 was Kieldrecht weer in het bezit van het grootste deel van zijn vroegere grondgebied. Het
    werk van de hertogen van Arenberg zou 100 jaar later voortgezet worden met de indijking van de Nieuw-Arenbergpolder.
    Met deze indijking in 1783 - 1784 werd het grondgebied van Kieldrecht nog vergroot. Aan de basis van de indijking van de Nieuw-Arenbergpolder ligt het oktrooi van de gouvernante-generaal Maria-Elisabeth van 14 november 1729. In feite was de bedoeling van de hertogen van Arenberg te komen tot herindijking van alle schorren in het Zand van Beveren, hun baronnie. Het huis van Arenberg heeft gedurende 3 eeuwen een invloedrijke inbreng. De eerste stap hiertoe was Konings-Kieldrechtpolder (1654), gevolgd door de Oud Arenbergpolder (1667-1688), dan de Nieuw Arenbergpolder (1783-1784) en de laatste stap, de indijking van Prosperpolder in 1846. Met deze indijking van Prosperpolder werd het grondgebied van Kieldrecht gevervolledigd. Deze polders kunnen dan ook "de overwinning van de hertog" genoemd worden, zij zijn het die het zilte nat hebben teruggedreven.
    In 1781 bracht keizer Jozef II van Oostenrijk (Heerser van onze streek vanaf 1748) een bezoek aan Kieldrecht. Eind 1791 ontving Doel de keizerlijke toestemming tot oprichting van een parochie. Op 4 mei 1792, om 9.00 uur werd in aanwezigheid van de wereldlijke overheid en vele inwoners officieel aangekondigd dat Doel een parochie werd, onafhankelijk van Kieldrecht. Dit betekende voor ons een hele ommekeer : qua gerecht, sociale verhoudingen en administratie. Het gevoeligste voor onze polders was wel de afschaffing van de oude instellingen en van alle voorrechten, dus ook van de aloude vrijdommen waarvoor tot op de laatste dag door de vrije polders van Waas en Beveren werd gestreden met koppige inspanning en ten koste van veel geld. Dit alles verdween, net zoals het Waasland en het Land van Beveren. Het bewind zorgde voor een diepgaande en volledige reorganisatie. Onze jongeren werden verplicht krijgsdienst te vervullen. Om dit te ontlopen verborgen ze zich in gaten in de dijken. Doch de Franse overheid nam de ouders gevangen, gaf hen geen voedsel tot de zonen uit hun schuilplaatsen kwamen om hun ouders te verlossen.
    De rouw en verdrukking in onze gewesten begon. De Franse bezetting begon steeds zwaarder te drukken op de inwoners.
    De opeisingen van jonge mannen om dienst te nemen in het Franse leger zullen aanleiding geven tot de Boerenkrijg.
    In 1805 werd de Saeftingepolder gevormd, ingedijkt als een deel van het vroegere Land van Saeftinge, waarin meerdere polders hadden gelegen en waren vergaan.
    De overstroming van 1808 werd in Kieldrecht en Kallo voorkomen, dankzij de macht van het volk en arbeid. In 1813 - 1814 verjoegen de Pruisen, Russen, Engelsen en Zweden de Fransen uit onze gewesten. Napoleon had zich gevestigd in fort Liefkenshoek. Bij de overgave van Antwerpen en de val van Napoleon leden de Scheldepolders onder een strategische overstroming.
    In 1815 werd Willem van Oranje Nassaukoning van de beide Nederlanden. Bij de Belgische Omwenteling in 1830 worden Noord en Zuid van elkaar gescheiden. Bij de belegering van Antwerpen in 1830 trokken vele krijgsbenden door Kieldrecht. In 1839 trekt Holland zich militair terug uit de vestigingen Lillo en Lief kenshoek.
    Een zwaar onweder zorgt in 1839 voor veel schade. Bij een storm in 1840 kwamen vele vissers om en vele schuiten van Kieldrechtse vissers sloegen stuk.
    In 1846 werd Prosperpolder ingedijkt. Aanvankelijk stonden er in deze polder 4 hofsteden : Prosperhoeve (Groothoeve), Petrushoeve, Engel bertushoeve en Antoniushoeve, allen in het beheer van de hertogen van Arenberg. Aan jachtpartijen, georganiseerd door de hertog, kwam Leopold II, ... en andere prominenten deelnemen. In 1907 werd Prosperpolder als onafhankelijke parochie afgescheiden van Doel.
    De parochiekerk werd in 1911 gebouwd door de Arenbergs en met subsidies van de gemeente Doel.
    In 1850 had de instelling van de parochie Nieuw Namen (Holland) plaats. Dit feit is voor Kieldrecht meldenswaardig, daar het aan deze gemeente een aanzienlijk en stoffelijk verlies veroorzaakte, want vele Hollanders kwamen naar het dorp om hun godsdienstplichten te kwijten en deden uitgaven die de kleinhandel bevorderden.
    In 1872 (bij KB van 28 maart) werd de "Vereniging van de Polders en het Land van Waas" opgericht.
    Hierin zaten de polders : Saeftinge, Oud Arenberg, Kieldrecht, Kallo, Beveren, Vrasene, Verrebroek, Sint-Gillis, Turfbanken, Saligem en Rodemoer (7.938 ha polder).
    In 1897 bedijkte men de Koningin Emmapolder en in 1907 besloot men de reeks met de bedijking van de Hertogin Hedwigpolder.
    Stilaan kreeg de polder zijn huidig gezicht, meer en meer verpachtingen (vanaf 1898) van gronden. en hoeven.
    Vele landbouwbedrijven kregen hun vestiging in deze polders. In 1900 waren er reeds 16 hofsteden.
    Tijdens Wereldoorlog I nam Kieldrecht, zoals ieder dorp aan de Belgisch-Nederlandse grens, een speciale plaats in omdat Nederland neutraal was.
    Om te vermijden dat gevangenen of gezochte personen langs Nederland zouden vluchten, werd de grens als het ware hermetisch afgesloten door een stroomdraad, in de volksmond "den dodendraad" genoemd. Het "Hulp en Voedingscomité" trachtte de noodlijdende dorpsgenoten het nodige minimum aan voedsel te verschaffen. Ook landbouwers dienden een deel van hun opbrengst af te staan voor bedeling in het dorp.
    Het probleem van de voedselschaarste kon wel enigszins gemilderd worden door de Nieuw-Naamse vissers, die de toelating kregen om onder strenge Duitse controle hun vis te verkopen aan Belgische leurders. Maar ook in Kieldrecht heeft de oorlog zijn tol geëist : vele burgers en soldaten kwamen om. Onze polders werden in 1914 om strategische redenen door de Belgen onder water gezet en in 1918 door de Duitsers. Op 16 januari 1919 werden bij vonnis van de rechtbank van Dendermonde de goederen van de hertog van Arenberg onder dwangbeheer geplaatst. Hierna werden vele gronden verkocht en kreeg men nieuwe eigenaars en bewoners in de polder.
    Tussen de 2 wereldoorlogen was Kieldrecht een vrij rustig polderdorp. Met de economische crisis van de jaren '30 voor ogen weken vele Kieldrechtenaren uit naar Noord-Amerika. Door oorlogsomstandigheden werden de polders
    in 1940 (door de Belgen) en in 1944 (door de Duitsers) nogmaals onder water gezet. Steeds waren ze van korte duur en eerder beperkt wat waterhoogte en oppervlakte aangaat. Met opzet werden in 1944 de sluizen langs de Schelde door de Duitsers geopend. Hierbij kwamen de Kieldrechtpolder en de Oud Arenbergpolder onder water te staan. De Nieuw Arenbergpolder en Prosperpolder bleven droog.
    In september 1944 bij de terugtocht der Duitse troepen werden aanstonds de sluizen bij laagwater terug geopend waardoor na 4 tot 5 dagen het water was teruggetrokken.
    De oorlog zorgde voor 4 jaar leed en onderdrukking. Dorpsgenoten werden verplicht naar Duitsland te gaan werken. Vele van deze mensen waren blootgesteld aan ontbering en honger. Anderen verging het nog slechter, zij werden wegens hun aktiviteiten tijdens de bezetting naar koncentratiekampen gevoerd, waar velen eenzaam en naamloos stierven. Zij die zich niet neerlegden bij deze bezetting, maar hun weerbaarheid aan de bezetter poogden te tonen, noemden in Kieldrecht "De Nationale Koninklijke Beweging". Deze beweging was koningsgezind. Samen met de bevrijding kwam spijtig genoeg ook de tijd van de meedogenloze repressie van dorpsgenoten op dorpsgenoten. Toen het dorp zich herstelde na de bevrijding in september/oktober 1944 van alle narigheden, werd Kieldrecht weer het slachtoffer van de V1 en V2 "vliegende bommen", die hun doel, de haven van Antwerpen, voorbijgevlogen waren. Velen kwamen hierbij om, zoals de familie K. Van Overloop-Cleiren (de ouders en 5 dochters) en hun nichtje. De zoon, Louis Van Overloop, was op het ogenblik van de ramp in het Klein Seminarie te Sint-Niklaas. Ook de gezusters Smet, en het dochtertje van een zuster, vonden de dood, alsook vele anderen. Deze dramatische gebeurtenissen werkten later het ontstaan van de Burgerbescherming in de hand.
    De alom bekende en laatste stormvloed van 1 februari 1953 (Ignatiusvloed) richtte enorme schade aan, vele mensen verloren het leven en de materiële schade was niet te overzien. De stormvloed zorgde echter voor weinig schade in Kieldrecht.
    In 1973 fusioneerden al de polders op de Vlaamse oever van de Schelde, de vroegere polders van Waas en het Land van Beveren in de "Nieuwe polders van het Land van Waas".
    Vanaf 1964 liet het Antwerpse stadsbestuur, de polders van het Land van Waas klaar maken voor het vestigen van industrie, dokken en een zeesluis. Voor de Sint-Annapolder, Doelpolder, Oud Arenbergpolder, Nieuw Arenbergpolder, Prosperpolder, Konings-Kieldrechtpolder betekende dit het doodsvonnis. Vele landbouwers werden onteigend. In het eerste voorontwerp-gewestplan (augustus 1967) stond te lezen dat Kallo, Doel, Verrebroek en Meerdonk volledig van de kaart zouden worden geveegd. Heel de polderstreek (6.600 ha) zou haven- en industriegebied worden.
    Na protest van de betreffende gemeentebesturen werd beslist in een herziene uitgave van de voorstudie Gewestplan (november 1967) de dorpskernen te bewaren.

    Dit alles werd opgenomen in het Gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren (15 oktober 1975). Na de opspuiting vestigden de eerste bedrijven zich op de Linkeroever van de Schelde in 1969. De baggerwerken in het eerste kanaaldok startten op 1 oktober 1973.
    In 1976 bij de fusie der gemeenten kwam Kieldrecht onder de gemeente Beveren.