Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland


 




Een te beslagen paard wordt de smidse binnengeleid en in de travaalje gedreven. Dit laatste is niet gemakkelijk, doch met zachte dwang lukt het tenslotte wel. De te beslane voor- en/of achterpoten worden één voor één en beurte­lings naar achteren geplooid, omhooggetrokken en met behulp van een dikke koord in de travaalje vastgemaakt. Het vastmaken van het paard is echt wel noodzakelijk om de hoefsmid toe te laten zijn werk naar behoren te kunnen ver­richten. Eens dit karwei geklaard is kan het eigenlijke werk beginnen.
De smid was vroeger een zeer veel voorkomend  beroep in alle dorpen.

Meestal werd hij vereenzelvigd met de persoon die ijzeren voorwerpen kon maken, vervormen en herstellen.
Maar op de “boerenbuiten” deed hij nog heel wat andere taken: in de eerste plaats het beslaan van paarden als hoefsmid, verder  het bekappen van de hoeven bij paarden als van de klauwen bij koeien, het herstellen van de ouderwetse potkachel of de Leuvense  stoof als kachelsmid, het leggen van ijzeren hoepels rond de wielen van karren en wagens samen met de wagenmaker, het herstellen van versleten, kapot of gebroken klein ijzeren materiaal zoals ploegen, eggen, schoffels, rieken, zeisen, schoppen, of spaden dus als grofsmid.
Zelf de ringen van varkens en het aderlaten bij paarden met hoefbevangenheid behoorden tot zijn arbeidsgebied.
Vandaar ook de volkse benaming van “paardenmeester”, die feitelijk de vroegere naam was van de veearts.
kortom een brede waaier van activiteiten die terecht toelaat hem de naam van “de  boerensmid” te geven.


De werkwijze:
Een te beslagen paard wordt de smidse binnengeleid en in de travaalje gedreven. Dit laatste is niet gemakkelijk, doch met zachte dwang lukt het tenslotte wel. De te beslane voor- en/of achterpoten worden één voor één en beurtelings naar achteren geplooid, omhooggetrokken en met behulp van een dikke koord in de travaalje vastgemaakt. Het vastmaken van het paard is echt wel noodzakelijk om de hoefsmid toe te laten zijn werk naar behoren te kunnen ver­richten. Eens dit karwei geklaard is kan het eigenlijke werk beginnen. Met een nijptang worden eerst de versleten hoefijzers van de hoef getrokken. Nieuwe ijzers, roodgloeiend gemaakt in het smidsevuur, worden aangepast en naar de juiste vorm van de hoef gesmeed. Vervolgens wordt de hoef met het hoefmes kort en rechtstandig ge­kapt tot op de draagwand. De hoefsmid kapt tot op de zogenaamde "witte lijn"; d.w.z. de scheiding van de draagwand en de hoornzool. Dit laatste is zeer belangrijk en ver­raadt gedegen vakmanschap, ge­steund op ervaring en kunde. De hoefsmid dient hierbij uiterst voorzichtig te werk te gaan.
Vervolgens komt het bevestigen of nagelen. Het hoefijzer wordt koud op de hoef genageld met 8 vlijmscherpe nagels van Zweedse makelij en ongeveer 5 cm lang. Zij worden in de hoornlaag van de hoef geslagen, en wel zo dat de scherpe punten ervan langsheen en bezijden de hoef uitsteken. De hoefsmid nijpt dan met zijn nijptang die uitsteeksels, naaldfijne punten, af en slaat vervolgens met de hamer de "pienen" omgebogen naar omlaag. Dit verhoogt aanzien­lijk de goede bevestiging van de hoefijzers. De hoefnagels worden nadien nog eens extra goed met de hamer aangedreven. Daarna wordt de hoef met een ruwe rasp netjes glad gemaakt. Het paard is nu beslagen naar de regels van het oude ambacht.
Sportpaarden beslaan is het moeilijkst De draagwand is bij deze paarden immers heel wat dunner dan bij landbouwpaarden. Daarom ook worden voor het beslaan van deze paarden kortere hoefnagels gebruikt. Vooraleer het paard de smidse verlaat wordt de hoef ingestreken met een speciale hoefzalf, het "manenvet")

Manenvet:
wordt uit de nek van een dood paard gehaald. Op de plaats waar de manen zitten bevindt zich, in ge­ringe mate, een bijzonder vettige massa. Dit is het "manenvet". Tenslotte, en dit is dan de eindbewerking, zal de smid de hoef voorzien van een ferme laag scheepsteer. Dit niet alleen om te verfraaien en voor een mooi uitzicht te zorgen, doch meer in het bijzonder om de hoef van het paard te beschutten tegen de mogelijke inwerking van scheikundige restanten die zich in de bodem bevinden en de hoef zouden kunnen aantasten, met alle spijtige gevolgen van dien.
En weet u, beste lezer dat voo­heen ook de ossen werden beslagen met hoefijzers. Kleine, halfmaanvormige hoefijzers werden destijds door de smid op de rechterteen van de hoef genageld. Dat was een bewerking uit grootvaders tijd, toen het zware ossenspan nog in gebruik was.
Sportpaarden die meestal zeer nerveus en schichtig zijn, en derhalve gemakkelijk in paniek slaan, worden niet in de travaalje gedreven maar "uit de hand beslagen". Zij worden met een zware koord aan een ijzeren ring vastgemaakt die in de zij muur is ingemetseld, het beslaan in dit geval is niet altijd even gemakkelijk en zelfs niet zonder gevaar is.


De hoefsmid heeft steeds een bijzondere plaats ingenomen in het dorps- en volksleven. Volgens oude geplogenheden werd eertijds ter gelegenheid van het feest van Sint-Elooi, schutspatroon van de smeden, een brandende vetkaars op het aambeeld geplaatst. Tot rond W.O. I bestond de gewoonte dat de landbouwers op Sint-Elooidag, dit is 1 december, de smid moesten betalen voor geleverde prestaties van het voorbije jaar.
Ze werden dan uitgenodigd aan te zitten bij een overvloedig maal. Een vette soep, karbonaden met wortelen en bovendien bier zoveel ze maar wil­den. Het verhaal wil dat sommige landbouwers twee dagen tevoren vastten om eens uitgebreid te kunnen schransen. Het was immers voor de "Kwitantie". Zo duchtig en met zoveel overgave werd er soms gegeten dat de smeerbuiken op een kruiwagen werden gelegd en zo terug naar hun boerenerf werden gevoerd. Jaja, de geest van Bruegel zinderde na!
Zo schreef Jacob Cats (7) in de 16de eeuw de nu nog geldende versregels:"Een peert, een sweert, een lieve vrou, Leent niemand uit als met berou!"
Men kan eens mediteren over deze zinnen en... eerlijk gezegd: "De beste hoefsmid slaat ook wel eens op zijn duim!", schreef onze zoetgevooisde Vlaamse dichter Guido Gezelle.
André Vanderveken