Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland

   

 



Wanneer de vissersboten binnenvoeren, stonden de pellers al te wachten op de garnaalvangst.
Thuis kwamen mannen, vrouwen of kinderen bij elkaar om te pellen.
Hoe meer zielen rond de tafel, hoe gezelliger en des te sneller het werk vooruitging.
Bij laagtij kwam de haven droog te liggen.
Pellers waren afhankelijk van het binnenvaren van de vissersboten en dat gebeurde volgens de getijden van de Schelde. Het moment waarop de vissersboten naar de haven terugkeerden, varieerde.
De ene keer was dit vroeg, de andere keer laat.
Uit een kilo garnalen haalde een goede peller zo'n vierhonderd gram. Over de juiste peltechniek bestond er geen consensus. Iedereen had zijn methode en oefening baarde kunst. Gemiddeld pelde een volwassene tien kilo garnalen. Kinderen verwerkten kleinere hoeveelheden. De vergoeding gebeurde volgens het gewicht.
Per per kilo verdiende je toen vijftien frank en per honderd gram extra werd je bijbetaald. Hoe meer gewicht boven de kilo, hoe profijtiger.
Daarom legden de pellers wel eens een valse bodem in de emmer.' De opdrachtgevers controleerden wel streng op de deskundigheid van het pellen: garnaal die nog restanten van de schaal vertoonde, keerde onherroepelijk terug.
Aanvankelijk werd er geengarnaal gevist noch gepeld tussen december en maart.
Gaandeweg viste men het jaar rond en het pellen volgde.
In de jaren 1990 verbood Volksgezondheid het garnaalpellen in huiselijke kring.
Een stukje thuisvlijt ging verloren, net als de sociale functie die het vervulde.
Tijdens het gezellig samen wachten aan de kade, wisselden garnaalpellers nieuwtjes uit.
Thuis zaten gezinnen uren zingend of pratend te pellen rond de keukentafel. Veel pellers kijken er met nostalgie op terug.


Al draaide garnaalpellen niet alleen om gezelligheid. Voor wie een zeer laag inkomen had, was het vaak een bittere noodzaak om te kunnen overleven.
Meer dan één keer was de natuur ongenadig hard voor de polder en zijn bewoners. Enkele memorabele overstromingen sinds het ontstaan van de polders zijn de Sint-Elizabethsvloed in 1404 en de Allerheiligenvloed van 1570. Recenter, op 12 en 13 maart 1906, sloeg een grillige Noordzeestorm een bres in de dijken aan de linker Scheldeoever. Melsele werd daarbij zeer zwaar getroffen: er vielen dodelijke slachtoffers.
Op zaterdag 31 januari 1953 kondigde zich een nieuw rampscenario aan. Een noordwestenwind, springtij en aanhoudende regen zetten enorme druk op de dijken. In de vroege ochtend van zondag 1 februari begaf de Scheldedijk te Kallo het. In geen tijd stond de Kallopolder onder water.
s' Middags brak de dijk aan de Zandbaan door. In Zwijndrecht vernielde het water op meerdere plaatsen de dijk.
Een deel van Melsele vooral in de omgeving van de Smoutpot liep onder.
De grootte van de garnalen hing af van het tijdstip waarop garnaal werd gevangen. 's Winters waren garnalen dikker dan 's zomers.
Pellers waren afhankelijk van het binnenvaren van de vissersboten en dat gebeurde volgens de getijden van de Schelde.
Het moment waarop de vissersboten naar de haven terugkeerden, varieerde. De ene keer was dit vroeg, de andere keer laat.