Polderblues.be

Leven, wonen en werken in het Waasland

   

Potten en pannenrek:


Melkmaat halve liter:


Kapbord voor het fijnhakken van de groenten :

Met een zelfgemaakt bakje en de nodige snijgereedschappen hakten men vroeger de groenten fijn.
Door opstaande kanten bleven de groenten tijdens het verhakken in het bakje.
Voor het snijden van kaas had men een metalen mes op een houten gereedschap bevestigd.

Botermenger en botervat:



Botervorm:



Melkketel en zeef:
De melkzeef was nodig om de verse melk van onreinheden te vrijwaren.
De zeef van aluminium met een uitneembare bodem, hierop ligt een filterdoek.
Op het filterdoek wordt als bescherming nog een geperforeerde schijf gelegd als bescherming.
Deze schijf kan men vastzetten met een spanring.
De zeef wordt op de melkkan gezet en de verse melk loopt door de filter in de melkkan.
Voor het transport naar de melkerij werden stevige melkkannen gebruikt met een goed sluitend deksel.
De kan had een inhoud van 25 liter en werd gekocht bij de betreffende melkerij.
Ook is er een nummer op gezet  specifiek  voor de betreffende boer of ook de naam van de melkerij.
De boerin moest de melkkannen in goede staat houden door regelmatig reinigen en opschuren.
De kannen werden vooraan het erf gezet en door de melkerij opgehaald.


Maken aardappelbloem:

De wagenmaker maakte een systeem met een draaiende cilinder met grove tandjes voor het fijnmalen van de geschilde aardappels.
Tijdens de oorlogsjaren werd aardappelzetmeel – aardappelbloem- patattenbloem- thuis zelf gemaakt door aardappelen tot moes te wrijven op een rasp.
Dit moes werd dan gewassen in veel water. Het onoplosbare zetmeel werd daarna door bezinking van de aardappelpulp gescheiden, meerdere malen gewassen en gedroogd.
                                                                                          
Ook aardappelmeel werd gebruikt als stijfsel, bij gebrek aan echt stijfsel, maar naar het schijnt was het wel veel moeilijker om hiermee te strijken. 
Het zetmeel zowel van rijst als van aardappelen werd eerst aangeroerd in koud water en dan overgoten met heet water en geroerd tot zich een slijmerige pap vormde.
Hierin werd het wasgoed gedoopt, uitgewrongen en nog nat gestreken.
Toen nog met ijzeren strijkijzers die op de kachel verwarmd werden.